VS leveren Russen uit na detentie op Cuba

De Verenigde Staten hebben zaterdag zeven gevangenen uit het detentiecentrum Guantánamo Bay overgedragen aan Rusland. Dat werd gisteren bekendgemaakt. Ze zijn overgebracht naar een huis van bewaring in Pjatigorsk, in Zuid-Rusland.

De zeven mannen zijn afkomstig uit de Russische republieken Tatarstan en Basjkirië, uit Siberië en uit de Kaukasus. Volgens de Russische autoriteiten gaat het onder meer om Tsjetsjenen die voor de Talibaan streden, maar geen van hen komt uit Tsjetsjenië zelf. De mannen worden in staat van beschuldiging gesteld wegens illegale grensoverschrijding, lidmaatschap van een criminele groep en huurlingschap.

De zeven werden krijgsgevangen gemaakt tijdens de Amerikaanse inval in Afghanistan in 2001 en daarna naar de Amerikaanse basis Guantánamo Bay gevlogen. Daar bevinden zich nu nog 640 gedetineerden. Honderd gevangenen zijn tot nu toe uit Guantánamo Bay naar elders overgebracht; 88 zijn vrijgelaten, de twaalf anderen, onder wie de zeven overgedragen Russen, worden in hun eigen land vervolgd.

Amerika besloot volgens woordvoerder Boucher van het ministerie van Buitenlandse Zaken de zeven over te dragen na de verzekering te hebben gekregen dat ze ,,gedetineerd, onderzocht en vervolgd worden onder de Russische wet en menselijk worden behandeld in overeenstemming met de Russische wet en verplichtingen''. De mensenrechtenorganisatie Amnesty International betwijfelt dat. De gevangenen zouden het risico van marteling en mishandeling lopen en opgesloten worden in omstandigheden die elders als wreed, inhumaan en vernederend gelden.

Amnesty International kan daarbij onder meer wijzen op de dood van de beruchte Tsjetsjeense krijgsheer Salman Radoejev, die in december 2002 stierf aan interne bloedingen. Door natuurlijke oorzaken, aldus de gevangenisartsen. Doordat een bewaker hem in elkaar sloeg tijdens een controle van zijn cel, berichtte de krant Kommersant. Radoejev werd begraven op het kerkhof van de gevangenis, zonder onafhankelijke autopsie.