Vin, pain, chagrin

Sinds vorig jaar vraagt de Stichting Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek in de Boekenweek aandacht voor één van de Nederlandse literaire tijdschriften, dat dan in een hogere oplage verschijnt. Een mooi streven, zeker gezien de wankele marktpositie van die tijdschriften. Vorig jaar kreeg De Gids (sinds 1837) zo een steuntje in de rug, dit jaar is Bunker Hill (sinds 1997) uitverkoren.

De tegenprestatie is, uiteraard, dat het hele nummer van Bunker Hill gewijd is aan Frankrijk – `Gare du Nord' is immers het thema van de Boekenweek. `Tijdschrift avec littérature', staat er op het omslag. Net als trouwens: `Du vin, de pain, du chagrin'.

Ook de hedendaagse Franse literatuur veroorzaakt enig chagrijn, blijkt uit het openingsartikel van Trouw-correspondent Pieter van den Blink. Hij heeft het over ,,Nostalgisch gekrabbel van oversekste navelstaarders [...] heimwee naar het verleden, altijd maar geil en pervers, en in de eerste plaats in zichzelf geïnteresseerd.'' In het vervolg van het onderhoudende stuk krijgt Van den Blink een fictieve rondleiding door het `huis van de stromingen', een nachtclub, van de Franse auteur Frédéric Beigbeder (99 francs, Windows on the World). Die signaleert daarin ook een crisis in de Franse letteren: ,,Kijk naar mij, dan zie je wat er mis is met de Franse roman. Zie je, de roman wil het over de wereld hebben, maar ik kom altijd weer uit bij mezelf.'' Zo belichaamt Beigbeder zowel de crisis, als de uitweg: het vertellen van een verhaal over de wereld waarin hij leeft.

De combinatie van een verhaal over de wereld vertellen en steeds weer bij jezelf uitkomen komt ook ter sprake in het omvangrijke interview dat vertaler Martin de Haan eind 2002 hield met Michel Houellebecq (die nu ,,zit te zwijgen in de Ierse mist'', aldus Van den Blink). Vierentwintig pagina's uit de mond van een hardop denkende, niet-systematische schrijver is wat aan de lange kant, maar er staan treffende opmerkingen in, als: ,,Ik weet niet zeker of ik wel een persoonlijkheid heb.'' En, in de lijn van het stuk van Van den Blink: ,,In de kern van alles wat ik schrijf zit een grote ophelderingspoging besloten [...] Van de wereld om mij heen.''

Ook de Amerikaanse auteur John Fante ontbreekt niet in het blad dat zijn naam dankt aan een van zijn romans. De eerste keer dat ik Parijs zag is een mooi verhaal, over de Franse hoofdstad in 1959, waar hij een verdrietige vrouw aanziet voor een bedelares. Bijna al het proza in Bunker Hill is overigens van doden (Proust, Colette, Vian) of buitenlanders. De poëzie is van levende schrijvers, maar valt een beetje tegen, zoals het gedicht van Jacques Roubaud dat na drie pagina's eindigt met: ,,maar ik houd het hierbij want het gedicht is zo al lang genoeg/ al valt er nog heel wat te zeggen over de straten van Parijs''.

Bunker Hill, Nummer 26, maart 2004. Thomas Rap, 104 blz. €4,50