Van toevalligheden en personen

Uit pre-oecumenische tijden dateert een grapje over het leven na de dood dat iets zei over de geschatte verstandhouding tussen de grote kerkgenootschappen in Nederland. Het is een grapje waarbij ik me toentertijd soms wel iets kon voorstellen. Het stamt uit mijn schooltijd aan een protestantse school in een smalle straat in de Haagse binnenstad. Schuin tegenover die school stond een rooms-katholieke school. Ons werd afgeraden met leerlingen daarvan te spreken, een raad die velen in de wind sloegen. Bijvoorbeeld omdat er, zoals mij in één bepaald geval nogal was opgevallen, heel aardige meisjes naar die school gingen. Het grapje dan.

Het handelt over een rooms-katholiek en een hervormde protestant die net tot de hemel zijn toegelaten. Zij ontmoeten Petrus tijdens een mooie wandeling langs een van de hemelboulevards. Die vraagt de beide nieuwkomers hoe het in de hemel bevalt en krijgt tevreden reacties. Maar, willen zij weten, eventjes verderop staat een hoge schutting, met bordjes Verboden Toegang erop, wat is daarachter toch voor bijzonders verborgen? Petrus legt zijn wijsvinger op de mond, buigt zich voorover en zegt zachtjes: ,,Sjjt, niet verder vertellen, achter die schutting huizen de gereformeerden en die denken dat zij hier alleen zijn.''

Zo gezien is het, ook al hebben de ontzuiling en de deconfessionalisering hun werk dan gedaan, toch eigenlijk vrij miraculeus dat Nederland intussen alweer een kwart eeuw in het CDA een grote fusiepartij kent die is voortgekomen uit de rooms-katholieke KVP, de gereformeerde ARP en de hervormde CHU. In het slagen van dat fusieplan wilden aanvankelijk buiten die partijen maar weinigen geloven en ook binnen de kaders van die partijen, en vooral in de kaders van de ARP, bestond scepsis over de haalbaarheid en de wenselijkheid van dat plan. Wat ook de redenen voor het uiteindelijke succes van de CDA-vorming zijn geweest, één reden was zeker hun in de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw snel verminderende aanhang onder de kiezers.

Een andere reden, of ten minste een stimulerende factor, was de geringschattende behandeling die de confessionele partijen, vooral de KVP, in de jaren van en voor het kabinet-Den Uyl (1973-1977) van progressieve zijde, met name van de PvdA, te verduren kregen. De aanhoudende spanningen tussen Den Uyl, de qua sociale vaardigheid niet zo knappe volbloed PvdA-politicus, en de KVP'er Van Agt, zijn in groeiende gekwetstheid steeds meer als non-politicus poserende vice-premier, hadden wat dat betreft betekenis voor veel meer dan alleen hun persoonlijke en collegiale betrekkingen.

Af en toe denk je vandaag, nu na acht paarse jaren weer een centrum-rechtse coalitie regeert en een overwegend linkse oppositie weer de staf breekt over die coalitie, wat dertig jaar geleden had kunnen gebeuren als ter linkerzijde wat tactischer was omgegaan met de ontreddering in het confessionele kamp. Er waren in dat kamp immers figuren die voor een tactischere, minder vijandige houding van links gevoelig hadden kunnen zijn. Van Agt was oorspronkelijk zelf zo iemand, en toenmalig KVP-fractieleider Andriessen, de latere Eurocommissaris, ook. En zelfs de oude ARP, traditioneel een rechtse club die in de politieke hemel als het ware zelf achter zo'n hoge schutting haar soevereiniteit in eigen reformatorische kring beleefde, had antennes naar links ontwikkeld. Kortom, het politieke landschap had er eind jaren '70 wellicht heel anders uit kunnen zien. Maar, zoals men in Den Haag zegt: ,,As is verbrande turf', het is anders gegaan.

Soms hangen zulke ontwikkelingen met grote gevolgen af van toevalligheden en van acties van personen. Het feit, bijvoorbeeld, dat de Duitse CDU/CSU nog steeds als één grote politieke macht opereert, is mede te danken aan een knalhard gevecht dat de politieke bazen van de CDU, Helmut Kohl, en de CSU, Franz Josef Strauss, ooit voerden en dat Kohl won. In zijn boek Erinnerungen 1930-1982, dat overmorgen verschijnt en waaruit de Frankfurter Allgemeine Zeitung al een paar dagen lange voorpublicaties afdrukt, doet Kohl nog eens verslag van dat gevecht (FAZ, 27 februari).

Het is een fascinerend verhaal, al is de zelfgenoegzame toon van de oud-CDU-voorzitter (1973-1998) en oud-kanselier (1982-1998) soms hinderlijk. Kohl was in 1976, destijds 46 jaar en premier in de deelstaat Rijnland-Palts, voor het eerst lijsttrekker van de CDU/CSU geworden in de Bondsdagverkiezingen. Hij klopte SPD-kanselier Schmidt met een prachtige score van 48,6 procent, maar omdat deze samen met de liberale FDP nog net een kleine meerderheid overhield, bleef de CDU/CSU in de oppositie.

Dan, als een donderslag bij heldere hemel, komt uit het Beierse Wildbad Kreuth het bericht dat de CSU-Bondsdagfractie op voorstel van partijchef Franz Josef Strauss de vaste samenwerking met de CDU opzegt en van plan is voortaan niet meer alleen in Beieren maar in heel Duitsland zelfstandig deel te nemen aan verkiezingen. Het convenant van de twee partijen, namelijk dat de CDU niet in Beieren en de conservatieve CSU niet daarbuiten aantreedt, lijkt daarmee van de baan.

Het risico dat het christelijke electoraat in Duitsland straks in twee (kleinere) delen zal uiteenvallen, is levensgroot. Strauss, een conservatieve geweldenaar die zelf ooit kanselier wil worden, noemt Kohl vervolgens op een besloten CSU-bijeenkomst in München totaal ongeschikt voor het kanselierschap ,,hem ontbreekt het daarvoor aan alles''. De CDU-top wordt volgens hem bevolkt door ,,politieke pygmeeën''. Strauss' rede is in het geheim opgenomen, de tekst verschijnt even later in het weekblad Der Spiegel. Spotprenten tonen Schmidt en FDP-leider Genscher die elkaar blij in de armen vallen.

De CDU-top is ernstig in de war, maar Kohl reageert erg knap. Hij weet een commissie uit CDU en CSU gevormd te krijgen inzake de eventuele voortzetting van de fractiesamenwerking en laat tegelijkertijd lekken dat de CDU zich serieus voorbereidt op een eigen rol in Beieren (wat heel wat CSU-leden hun plaats in de Bondsdag zou kunnen kosten).

Zo krijgt hij de CSU, ondanks Strauss, in enkele weken weer in het gareel. En kreeg een hard gevecht van twee ambitieuze mannen een uitkomst die vandaag nog steeds de Duitse politieke landkaart bepaalt.