Stop onderzoek met embryo's niet

Het stamcelonderzoek staat nog in de kinderschoenen, daarom is onderzoek met embryonale stamcellen van groot belang, menen Christine Mummery en Guido de Wert.

Onlangs maakten Koreaanse onderzoekers bekend dat zij embryonale stamcellen hebben verkregen uit gekloneerde menselijke embryo's (Science, 12 februari). De reacties daarop lopen uiteen. Aan de ene kant is er enthousiasme, vanwege de therapeutische mogelijkheden ervan (NRC Handelsblad, 13 februari.) Aan de andere kant is er kritiek. Zo stelde de SGP Kamervragen, waarin deze fractie pleitte voor een definitief verbod op het creëren van embryo's voor wetenschappelijk onderzoek. Vorig jaar hield het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA eenzelfde pleidooi. Wat is eigenlijk de medische relevantie van het Koreaanse onderzoek? En wat moeten we hiervan vinden vanuit normatief oogpunt?

Stamcellen zijn primitieve cellen die allerlei typen cellen kunnen vormen. Zij vormen een veelbelovende bron voor de ontwikkeling van celvervangende therapie voor ziektes die worden veroorzaakt door het niet (meer) functioneren van specifieke celtypen, bijvoorbeeld Parkinson, diabetes en hartfalen. Net als bij de transplantatie van organen zal het lichaam getransplanteerde, lichaamsvreemde cellen afstoten. De beste bron van stamcellen voor celtherapie zou daarom het eigen lichaam zijn. Het lijkt aantrekkelijk om daarvoor volwassen stamcellen uit beenmerg te gebruiken. Maar, anders dan de SGP suggereert, is tot nu toe de capaciteit van deze cellen om verschillende celtypen te vormen, zeer beperkt gebleken. Botcellen en bloedvatcellen kunnen zonder al te veel problemen worden gemaakt, maar zenuwcellen en alvleeskliercellen niet.

Het alternatief is de embryonale stamcel, die in staat is om alle meer dan 200 typen lichaamscellen te vormen. Embryonale stamcellen waren tot nu toe alleen te winnen uit rest-embryo's, die overblijven na in vitro fertilisatie (IVF). Ook deze cellen zullen na transplantatie als lichaamsvreemd herkend worden, behalve wanneer ze zijn verkregen via het zogenoemde `therapeutisch klonen', zoals in Korea. Voor dit onderzoek hebben 16 vrouwen na een hormoonbehandeling 242 eicellen gedoneerd. Van ieder van de eicellen werd een kernloze eicel gemaakt. Daarin werd de kern van een lichaamscel van dezelfde vrouw gezet. Van de aldus geconstrueerde embryo's ontwikkelden zich er 30 in enkele dagen tot het stadium waarin embryonale stamcellen geïsoleerd konden worden. Maar daarna werd van slechts één embryo een kweek van stamcellen verkregen.

Het isoleren van embryonale stamcellen uit embryo's van ongeveer vijf dagen wordt in brede kring aanvaardbaar geacht, zeker als het gaat om rest-embryo's. Het prille embryo heeft een (in vergelijking met de verder ontwikkelde foetus of een kind) relatief geringe beschermwaardigheid en het belang van dergelijk onderzoek is groot. Terecht biedt de Embryowet hiervoor ruimte. Een verbod zou ook op gespannen voet staan met de maatschappelijke acceptatie van het spiraaltje, waarbij immers ook prille embryo's verloren gaan.

Critici eisen, met een beroep op het subsidiariteitsprincipe, dat onderzoekers zich beperken tot onderzoek naar `embryosparende' alternatieven, zoals het gebruik van volwassen stamcellen uit beenmerg.

Een ruimere uitleg van dit principe houdt in dat embryo's mogen worden gebruikt, totdat duidelijk is dat de alternatieven even geschikt zijn. Dat heeft onze voorkeur. Critici realiseren zich onvoldoende dat wie onderzoek met embryonale stamcellen blokkeert, ook de motor weghaalt uit onderzoek met volwassen stamcellen, waardoor patiënten ernstig kunnen worden gedupeerd.

Mag men ook embryo's doen ontstaan uitsluitend ten behoeve van onderzoek? Om te beginnen: het CDA onderkent niet dat deze vraag niet alleen speelt bij (de ontwikkeling van) therapeutisch klonen, maar ook bij de veilige introductie van nieuwe voortplantingstechnologie. Het valt op dat het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA krachtig pleit voor de ontwikkeling van nieuwe, `embryosparende' technologie in de context van IVF, met name voor het invriezen van `boventallige' onbevruchte eicellen in plaats van boventallige embryo's, en tegelijk een definitief verbod wil van het doen ontstaan van embryo's voor onderzoek.

Er is echter al vaak op gewezen dat het invriezen van onbevruchte eicellen pas op verantwoorde wijze in de kliniek kan worden toegepast, nadat in pre-klinische research ontdooide eicellen zijn bevrucht en op eventuele door het invriezen geïnduceerde afwijkingen zijn onderzocht. Toekomstige kinderen en aanstaande ouders mogen niet de dupe worden van te snel in de kliniek geïntroduceerde technieken.

Er is, redenerend vanuit de beschermwaardigheid van het embryo, geen wezenlijk ethisch verschil tussen het doen van onderzoek met rest-embryo's enerzijds en het doen ontstaan van embryo's voor onderzoek anderzijds. De morele en juridische status van de embryo's is identiek, en in beide gevallen worden de embryo's `instrumenteel' gebruikt. De in de Embryowet (art. 33, lid 2) voorgenomen opheffing van het tijdelijke verbod van het doen ontstaan van embryo's voor onderzoek heeft dan ook onze steun.

Bij het creëren van embryo's voor onderzoek rijzen ook vragen voor zover vrouwen daartoe een hormoonbehandeling wordt gegeven. Deze behandeling is belastend en niet geheel zonder risico, maar kan aanvaardbaar zijn gezien het doel van de behandeling en onder de voorwaarde dat sprake is van een valide geïnformeerde toestemming. Dit laat onverlet dat het van belang is om naar alternatieven te zoeken. Dit is te meer het geval bij de ontwikkeling van therapeutisch kloneren, gezien de vooralsnog lage efficiëntie van deze procedure uit 242 eicellen verkregen de Koreanen uiteindelijk één kweek van embryonale stamcellen.

Het gebruik van dierlijke eicellen als `receptor' van een menselijke kern, om de bezwaren van de hormoonbehandeling te vermijden, lijkt een doodlopende weg. Een veelbelovend alternatief is om in het laboratorium embryonale stamcellen zich gecontroleerd te laten ontwikkelen tot eicellen. Dit is inmiddels mogelijk gebleken bij de muis. Lukt dit ook met menselijke embryonale stamcellen, dan kan men op een `vrouwvriendelijke' manier grote aantallen eicellen voor onderzoek verkrijgen.

De ultieme oplossing is de zogenoemde directe reprogrammering, waarbij een lichaamscel van de patiënt zodanige veranderingen ondergaat dat er weer allerlei andere celtypen uit gekweekt kunnen worden. Hierbij zou men door chemische prikkeling (de kern van) een lichaamscel van een patiënt kunnen veranderen in een cel die hetzelfde ontwikkelingspotentieel heeft als een embryonale stamcel. Het gebruik van embryo's wordt dan overbodig.

De directe reprogrammering kan echter alleen maar worden ontwikkeld via experimenten zoals nu zijn gedaan in Korea. Alleen door te onderzoeken hoe de `ontkernde' eicel de kern van een lichaamscel reprogrammeert, kan men leren hoe dit langs chemische weg kan worden nagebootst.

Het stamcelonderzoek staat nog in de kinderschoenen. Van belang is parallel

onderzoek met verschillende typen stamcellen, inclusief de embryonale stamcellen.

Terecht is in deze krant gewezen op het belang van het onderscheid tussen reproductief en therapeutisch klonen. De SGP scheert deze fundamenteel verschillende toepassingen in haar pleidooi voor een omvattend verbod van klonen ten onrechte over één kam. Niet minder belangrijk is het onderscheid tussen klonen voor wetenschappelijk onderzoek (het Koreaanse experiment) en therapeutisch klonen strictu sensu. Dit laatste is nog lang niet aan de orde.

In het ideale geval draagt het Koreaanse experiment bij tot de ontwikkeling van het alternatief voor therapeutisch klonen: de directe reprogrammering. In dat geval geldt voor stamcelresearch hetzelfde als voor onderzoek op het terrein van de voortplantingstechnologie: het gebruik van embryo's in onderzoek kan de introductie van embryosparende technologie bevorderen.

Prof.dr. Christine Mummery is hoogleraar Ontwikkelingsbiologie van het Hart en verbonden aan het Hubrecht Laboratorium te Utrecht. Prof.dr. Guido de Wert is hoogleraar Biomedische Ethiek aan de Faculteit der Geneeskunde van de Universiteit Maastricht.