Separatisten uit Bretagne voor de rechter

In Parijs is gisteren het proces begonnen tegen elf Bretonse separatisten. Ze worden verdacht van lidmaatschap van de ARB, de Armée Révolutionaire Bretonne, de gewapende arm van de kleine onafhankelijkheidsbeweging Emgann. Onder de verdachten bevindt zich Gaël Roblin, de woordvoerder van Emgann.

Jarenlang behoorden Bretonse separatisten tot de Franse folklore. Een logisch gevolg van de `uitlevering' – zoals een groot deel van de bevolking dat altijd heeft gezien – van Bretagne in 1532, door hertogin Claude, getrouwd met de Franse koning.

De overheid heeft de afscheidingsbeweging nooit erg serieus genomen omdat die erg klein was – de fanatieke vleugel telt niet meer dan een paar honderd aanhangers. En omdat de aanslagen aanvankelijk beperkt bleven in omvang en uitsluitend leidden tot materiële schade aan belastingkantoren, politiebureaus, elektriciteitscentrales en gerechtsgebouwen.

In de loop der jaren radicaliseerde de groep. Er waren contacten met de Baskische afscheidingsbeweging ETA. De doelen van de aanslagen werden groter. In 1999 werd bij een overval ruim zeven ton dynamiet buitgemaakt en in april 2000 kwam bij een aanslag op een McDonald's in Quévert, niet ver van Dinant, een 28-jarige vrouw om het leven.

De groep staat slechts terecht voor zeventien van de veertig aanslagen die tussen 1993 en 2000 werden gepleegd. In de andere gevallen ontbreekt het bewijs – ook in het geval van Quévert. Op veel steun kunnen de verdachten niet rekenen. De meeste Bretons zagen het geweld met lede ogen aan. Kinderen kregen op school al lang geen klappen meer als ze Bretons spraken zoals honderd jaar geleden, de zwart-witte vlag van Bretagne wappert op veel gemeentehuizen broederlijk naast de Franse tricolore. Bovendien heeft de afscheidingsbeweging in de Tweede Wereldoorlog, toen ze collaboreerde met de Duitsers, veel van haar krediet verspeeld. De kans dat Emgann-woordvoerder Roblin bij de regionale verkiezingen later deze maand een zetel haalt, is dan ook niet groot.