Militair op missie: niet in oorlog en niet in vrede

Met de afschaffing van de krijgsraad in 1991 is veel militair-juridische kennis bij het OM verloren gegaan. Daarnaast wordt het tijd om het begrip `in oorlog' te herdefiniëren.

Het was een opmerkelijke mededeling die de rechtbank in Arnhem gisteren in haar vonnis deed. Een ,,signaal'', zegt hoogleraar militair strafrecht Terry Gill. In het vonnis tegen twee mariniers die tijdens de wacht in slaap waren gevallen, merkte de rechtbank op dat het Wetboek van militair strafrecht ,,onvoldoende aansluit bij de veranderde operationele omstandigheden waaronder de krijgsmacht haar internationale taak moet verrichten.''

Het openbaar ministerie had maar liefst vijf maanden onvoorwaardelijk geëist tegen de twee mariniers, die in de vroege uren van 15 augustus op wachtpost vijf van het Nederlandse hoofdkwartier in As Samawah waren ingedommeld. Het OM rekende de twee mariniers dit `wachtdelict' zwaar aan, aangezien de Nederlandse mariniers in Irak volgens het OM onder oorlogsomstandigheden moeten opereren.

Maar daar wilde de rechtbank niet aan. Deelname aan een vredesoperaties kan ,,men niet zondermeer als oorlog of als feitelijke oorlogsomstandigheden kwalificeren'', aldus de rechtbank. De twee mariniers kregen geen vijf maanden onvoorwaardelijke celstraf, maar twee weken voorwaardelijk en 60 uur werkstraf.

Daarmee is het probleem geschetst, zegt Gill. De hoogleraar vindt dat er sprake is van een ,,leemte'' in de wet als het gaat om de belangrijkste taak van Defensie op dit moment: vredesoperaties in het buitenland. ,,Het wetboek van militair strafrecht kent slechts twee begrippen: `oorlog' en `vrede'. Het begrip `oorlog' veronderstelt veel meer dan er nu in Irak aan de hand is. Aan de andere kant kun je moeilijk spreken van een operatie in vredestijd.''

Het is daarom hoog tijd om eens te kijken naar mogelijke verbeteringen van het systeem, zegt Gill. Dit zou ook het OM de instrumenten in handen kunnen geven om beter om te gaan met incidenten zoals dat van Erik O., die een Iraakse plunderaar doodschoot en daarom nu verdacht wordt van moord.

Ook Gill vindt ook dat het OM op zijn minst ,,de schijn wekt'' er een ,,inconsistent vervolgingsbeleid'' op na te houden: de slapende mariniers brachten hun collega's in tijd van oorlog in gevaar, maar sergeant-majoor Erik O., was volgens het OM bezig met het uitvoeren van een soort van politietaak.

Gill wil de ,,klok niet terugdraaien''. Maar met de afschaffing van de krijgsraad in 1991 is er wel veel militaire deskundigheid verloren gegaan, vindt hij. Vroeger was de aanklager een militair, met operationele ervaring. De vraag is of `gewone' officieren van justitie de omstandigheden waaronder militairen moeten werken, altijd goed kunnen inschatten.

Het valt daarom te overwegen, vindt Gill, de ,,goede elementen'' van het oude systeem opnieuw in te voeren. Een studiecommissie zou niet alleen zou moeten kijken naar de wetgeving, maar ook naar mogelijkheden ,,om de samenwerking tussen Defensie en het OM te vergroten.''

Minister van Defensie Kamp leek gisteren goed te hebben geluisterd naar die boodschap. Meteen na het incident rond Erik O. is er op het ministerie gekeken ,,hoe we samen met het OM zouden kunnen werken zodat we wederzijds de omstandigheden kennen'', aldus de minister. Een ,,stage'' of een ,,werkbezoek'' van officieren van justitie naar het missiegebied, aldus Kamp, ,,zou daar heel goed bij passen''.