Fransen genieten van volgzame Amerikanen

Trots wijzen de Fransen op de eensgezinde aanpak van de crisis in Haïti. Vooral omdat de Amerikanen volgzaam de Franse ideeën overnamen.

Het is niemand ontgaan en vooral Frankrijk zelf niet: de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Dominique de Villepin, heeft in de begin vorige maand begonnen Haïtiaanse crisis in alle opzichten het voortouw genomen. Hij was op 17 februari de eerste die voorstelde een internationale `vredesmacht' naar het eiland te sturen. Hij was het ook die getrouwen van president Aristide en rebellen in Parijs ontbood om de verzoeningsbereidheid te peilen. En het was opnieuw Villepin die, na de gebleken onmogelijkheid van verzoening, op 25 februari als eerste, Aristide in diplomatieke bewoordingen te verstaan gaf maar beter op te kunnen krassen.

Washington, dat de destijds verjaagde Aristide in 1994 zelf weer in het zadel had geholpen, was nog lang niet zover. Pas drie dagen later dwongen visioenen van bootvluchtelingen voor de Amerikaanse kust – middenin verkiezingstijd, ook dat nog – de Amerikanen tot de realistische inzichten van Parijs. Ongetwijfeld heeft ook een commentaar van The Washington Post aan de koerswijziging bijgedragen. De krant noemde de Amerikaanse houding ten aanzien van de crisis in Haïti `zuinigjes' en vestigde vervolgens de aandacht op een pijnlijk feit: ,,De diplomaat die zich werkelijk inzet om een eind te maken aan de dreigende anarchie op een eiland dat op een afstand van hooguit 900 kilometer van Florida ligt, is de Franse minister van Buitenlandse Zaken.'' Geen Franse krant, of het verrukkelijke regeltje werd erin geciteerd.

Franse, Amerikaanse en Canadese troepen landden gisteren in Haïti, geheel naar de wens van Frankrijk. De door de Fransen voorgestelde vredesmacht, die op 17 februari aan Amerikaanse zijde `geen enthousiasme' vermocht te wekken, is nog geen halve maand later werkelijkheid geworden. De linkse krant Libération laat niet na op de ironie van de situatie te wijzen. In de Irak-crisis was Villepin de `briljante advocaat van het respect van de internationale rechtsorde' en mordicus tegen de door de Amerikanen zo felbegeerde omverwerping van het regime van Saddam Hussein zonder goedkeuring van de Verenigde Naties. In de Haïti-crisis pleitte juist Frankrijk ervoor de nota bene `democratisch' gekozen Aristide te laten vallen en volgden de Amerikanen schoorvoetend en pas nadat zij zeker waren van de instemming van de VN.

Net als andere Franse kranten stelt Libé tevens: ,,Het ongeluk van Aristide is het geluk van Franse en Amerikaanse diplomaten.'' Zo is het. Het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken heeft zelfs niet geschroomd de internationale besluitvorming inzake Haïti en het overleg dat eraan voorafging `perfect' te noemen. Een te groot woord misschien, maar symptomatisch voor de opluchting over de uiteindelijke eensgezindheid. Het zag er immers even naar uit dat de Fransen weer alleen stonden, slechts getroost door een immens gelijk.

Even dreigde het door de Irak-crisis veroorzaakte trauma verhevigd te worden, om nu dan misschien wel, wie weet, dank zij Haïti voorgoed tot het verleden te gaan behoren. Gezien de verwoede maar niet erg geslaagde pogingen van Frankrijk om de historisch slechte verhouding met de Amerikanen toe te dekken is de spontane Frans-Amerikaanse samenwerking in de Caraïben in Franse ogen niet minder dan een godsgeschenk. Temeer daar de eensgezindheid het gevolg is van Amerikaanse volgzaamheid ten aanzien van Franse ideeën.

Intussen is de Franse alertheid niet uit de lucht komen vallen en al evenzeer historisch bepaald. Haïti staat niet voor niets te boek als de eerste onafhankelijke zwarte natie. De verlokkelijke kreten van de Franse revolutie van 1789 – vrijheid, gelijkheid, broederschap – werd de Franse kolonisator van het eiland dertien jaar later fataal. Zelfs een leger van Napoleon werd in de pan gehakt. Wel kreeg Frankrijk voor de officiële erkenning van de Haïtiaanse onafhankelijkheid in 1838 een `schadevergoeding' van negentig miljoen gouden franken. Het was onder verwijzing naar deze `onafhankelijkheidsschuld' dat president Aristide vorig jaar van de Fransen het, volgens zijn berekeningen, hedendaagse equivalent van `21.685.135.571 dollar en 48 cent' opeiste.

De eis werd niet serieus genomen, maar was genoeg aanleiding voor Frankrijk om een commissie zich over de Frans-Haïtiaanse verhoudingen te laten buigen. Vorige maand verscheen haar rapport. Al was één van de meer poëtische bevindingen dat Haïti, `Parel van de Antillen', ,,deel [uitmaakt] van onze geschiedenis, maar niet van onze collectieve herinnering'', het rapport praatte de Fransen net op tijd bij over het eiland.