Even laten weten

De jonge herdershond blijft maar schoenen vernielen en weglopen. Opeens heeft de in de steek gelaten baas er genoeg van. Als ik me nu uit de voeten maak, denkt hij, ben ik van haar af.

Even laten weten dat met de pup alles goed gaat. Ze is nu zes maanden. Het behang is van de muur. Mijn volle pot pindakaas is half leeg gelikt. Van mijn nette schoenen is alleen nog de zool over. Maar vraag je naar mijn toestand, dan moet ik antwoorden dat die minder goed is. Het laken ligt aan stukken gescheurd op mijn bed. Ik strompel rond met een pijnlijke heup. Een oude schaatsblessure stak zijn mes in mijn heup na een mislukte poging om die kleine te vangen. Ze komt niet als ik roep. Ik gleed uit in de modder. En nu loop ik moeilijk.

Gelukkig is het hondje zo onafhankelijk dat ze gewoon nieuwe baasjes uitzoekt die wel normaal kunnen lopen. Ik ben haar voortdurend kwijt. Een bekende komt mijn hondje tegen met een vreemde man.

,,Volgens mij'', zegt ze, ,,is dat niet uw hond.'' ,,Nee'', antwoordt de man, ,,ze blijft maar meelopen.'' De kleine ruikt onraad als mijn kennis haar wil aanlijnen, ze gaat er als een haas vandoor.

Tijdens dit gesprek sta ik moederziel alleen tot tienduizend te tellen aan de andere kant van het park. Ik ben haar al een half uur kwijt. Alle tijd om te vertellen tot welk ras ze behoort. Ze is een Groenendaeler, een zwarte langharige herder. Een Groenendaeler zal je blijven testen. En o wee als je ziek bent of een slome strompelaar met een kapotte heup. Op medelijden of begrip hoef je niet te rekenen.

Zijn er ook positieve dingen te melden? Jawel, ons sociale leven is nog verder opgebloeid. We hebben kennis aan twee alleraardigste Engelse Basset Hounds, eerder mochten we ook kennis maken met 2 grote Turkse herders. Daarnaast noem ik vluchtige kennissen, de Spaanse waterhond (niet te verwarren met de Portugese waterhond). De afgelopen week mochten we een Hollandse Schnauz begroeten, een onooglijk wit terriërtje op dunne pootjes en een Ierse Border Collie (met een jeugdtrauma, want gebeten door een schaap).

Langdurig waren we in gesprek met het baasje van een Grand Basset Griffon Vendee. Ook de Lapinkoira, een sterke Finse poolhond, die je makkelijk verwart met een Euraziër of Chow Chow, is vriendelijk in de omgang. De Magyar Wisla verwar ik altijd met de Rhodesian Ridgeback, maar hun baasjes kan ik wel uit elkaar houden. Er zijn ook zoveel verschillende honden.

Ik kijk op mijn horloge. Ik wil naar huis. We zijn al drie uur buiten. In mijn heup steken de messen. Ik wacht nog een half uur. Ze komt niet meer.

Ik kijk zoekend rond en zie haar plotseling aan de andere kant van het meer rondwaden in het water, ze pikt dingetjes uit het water op. Boven haar kop krioelt een zwerm krijsende meeuwen. Aan de kant staat een mevrouw naar haar te kijken. Ze heeft een lege plastic broodzak in haar hand.

Een heerlijke gedachte maakt zich nu van me meester. Ik word er helemaal vrolijk van. Als ik me nu uit de voeten maak, ben ik van haar af. Dan koop ik nieuwe nette schoenen. Ik behang zingend de hele kamer opnieuw. Laat een ander maar in de zenuwen zitten. Ik haal de meest duffe hond uit het asiel, zo eentje die in huis alleen maar slaapt en buiten gehoorzaam naast het baasje voort sjokt en af en toe je hand likt en met zijn staart kwispelt.

Ik kan een gevoel van opluchting niet onderdrukken. Ik ben er vanaf. Ik voel een mengeling van droefheid en opluchting. Ik kan nu in alle rust mijn blessure laten genezen. Tegen beter weten in neem ik me voor mijn fiets op te halen om het park af te zoeken. Nog erger, ik neem me voor een penning te laten maken met mijn telefoonnummers erop. Zo kom je nooit van haar af, denk ik. Wees toch een vent. Laat het mormel barsten. Maar luister eens beste jongen, iedereen met een pup maakt toch hetzelfde mee? Het is immers een periode, die voorbijgaat. Het is puberteit.

Daar komt ze. Die zwarte stip, dat is ze. Ik ben verbijsterd. Nu ik haar helemaal zat ben, komt ze naar me toe racen alsof geen macht ter wereld ons kan scheiden. Op slag ben ik alles vergeten. Ze is toch mijn lieve kleine dondersteen. Ik zal haar niet wurgen. Want hoe was het nou toen je zelf jong was, en je moedertje wanhopig zat te wachten tot het meneer beliefde thuis te komen?