Woede is niet het woord

De toekomst zal er uitzien als een hotel in een internationale stad tijdens het ontbijt. Met internationale stad bedoel ik niet Amsterdam. Amsterdam is internationaal ten opzichte van Almere, maar als je even een stap buiten Nederland zet, zie je dat er voor Amsterdam geen excuus is. Dat Nederland geen steden heeft die meetellen, ligt aan Nederland zelf. Nederland heeft geen ambitie, Nederland bestaat uit burgers en ambtenaren en nog een paar al dan niet asielzoekende buitenlanders, maar die worden snel in- of uitgeburgerd.

Dat Nederland geen ambitie heeft, zien Nederlanders als een verworvenheid. Nederlanders willen alles, behalve het idee dat ze iets te betekenen zouden kunnen hebben. Maar in dit stukje wil ik niet mijn woede koelen over de toon die Nederland momenteel aanslaat tegenover alles wat van buiten komt. En woede is ook niet het woord, het is vaderlijke onrust.

Een stad als Londen tijdens het ontbijt, kijk, zo komen we dichter bij de toekomst. De lucht van ongewassen lichamen van buitenlanders die in de rij staan voor het ontbijt, de lucht van die lichamen en gebakken eieren, zo ruikt de toekomst, zo ruikt de globalisering. De lucht van globalisering is een mooie titel voor een stukje, maar ik heb er niet veel aan toe te voegen.

De rest van mijn gezin zit in de nietroken afdeling, kinderen zijn streng tegenwoordig, straks mogen ze rechtszaken beginnen tegen hun ouders. Ik ontbijt nooit. Ik heb de smerige gewoonte te ontbijten met zwarte koffie en een sigaret. En ik erger me aan niet-rokers die gaan zitten in de veel rustigere afdeling voor rokers.

Op de een of andere manier beschouw ik niet-rokers als mijn vijanden. Ik heb veel vijanden, al weten die vijanden het meestal niet. Mijn vijandschap gaat vooral uit naar mensen die weten wat goed voor me is. Eigenlijk interesseert het ze niet wat goed voor me is, ze wensen me geen gezondheid toe, ze wensen me straf toe. Mensen willen graag straffen en gestraft worden, om het met Arnon Grunberg te zeggen. Dat noemen we organisatie, en organisatie leidt tot orde. Alles in naam van de orde, en orde is dat de rokersafdeling alleen gebruikt wordt door rokers. Niet-rokers hebben hier niets te zoeken.

Ik schrik van mijn vijandigheid tegenover niet-rokers. Zoiets zullen Nederlanders misschien voelen tegenover nietNederlanders. Nederlanders vinden niet-Nederlanders prima, als ze maar niet in Nederland zijn, maar ik zei dat dit stukje niet gaat over mijn woede over de toon die Nederlanders aanslaan tegen niet-Nederlanders, een woede die overigens geen woede is, maar onrust.

Hier in Londen hoor ik alle talen, behalve Engels. En ik dacht dat Engels de taal van de globalisering was. In Londen kom je in het weekend zelfs geen Britten tegen. Alsof Britten in het weekend massaal de stad ontvluchten om plaats te maken voor groepsgewijs opererende Japanners, alsook loslopende Spanjaarden, Duitsers, Fransen en Amerikanen, die graag willen gaan zitten op de leeuwen van Trafalgar Square. Gek is dat, je ziet Japanners zich nooit misdragen in het buitenland. Europeanen en Amerikanen misdragen zich en toch ben ik geen racist. Ik heb niets tegen een beetje misdraging, van orde kun je ook te veel hebben, een beetje ordeloosheid moet je toestaan, een beetje oningeburgerdheid moet kunnen, maar in Nederland kan steeds minder.

Het idee dat buitenlanders in vijf jaar het inburgeringsexamen moeten halen en anders een boete moeten betalen, en dat ook de oudere buitenlanders, voor wie ze het woord `oudkomers' hebben bedacht, dit examen moeten halen, dat idee getuigt van een obsessie voor orde. Vroeger noemden ze dat fascisme, maar dat woord is uit de mode, geloof ik.

Ik ben bang dat ik straks ook dat examen moet afleggen, ik ben immers ook een oudkomer. Vooral ben ik bang dat ik dat examen niet zal halen en de boete zal moeten betalen aan de nooit-aangekomenen, want zo zien Nederlanders zichzelf. Ze zijn nooit gekomen, ze waren er altijd al, ze zijn uit de Nederlandse klei ontstaan, een heel nieuwe kijk op de menselijke evolutie.

Maar goed, ik had het over de toekomst. Zal de wereld ooit zo zijn, dat je alleen buitenlanders ziet, die buitenlands spreken, buitenlandse herinneringen hebben, buitenlandse zeden en gewoonten hebben, om over normen en waarden te maar zwijgen, en die toch keurig in de rij staan voor het ontbijt? In de rij staan voor het ontbijt is wat mij betreft orde genoeg.

Ik kan niet wachten om na het ontbijt het hotel uit te gaan om weer naar al die buitenlanders te kijken. Dat is mijn vak, kijken naar buitenlanders. Wandelen door Londen in het weekend, en geen Brit te bekennen. Zullen ze het erg vinden, dat ze niet te bekennen zijn? Nederlanders vinden het wel erg dat ze in hun steden steeds minder te bekennen zijn. Als ze niet te bekennen zijn op een school, heet de school een zwarte school, en als ze niet te bekennen zijn in een wijk, is het een achterstandswijk. Die wijk is dan kansloos, achterstand is een stand die je nooit te boven komt, het is een stand, geen beweging in te krijgen.

Ik kijk graag naar buitenlanders en kijken is bekeken worden, merkte Gerrit Komrij schrander op. Word ik in Amsterdam bekeken als een buitenlander? Val ik op? De laatste tijd zeker. Niets is zo oncomfortabel als opvallen; minderheden vallen op, ze krijgen een blik alsof ze aanslagen aan het beramen zijn of bruidjes uit het buitenland laten komen.

Nederlanders hebben tegenwoordig een hysterische blik. Er zijn geen rassenrellen, Bos en lommer staat niet in brand, maar er schijnt haast te zijn geboden, 26.000 uitgeprocedeerden moeten het land uit. Als je zo stoer bent, zet je ze in één keer samen het land uit. Dan pas haal je de wereldpers, dat weg laten druppelen in de nacht is laf. Breng ze bij elkaar in Amsterdam Arena, het stadion is dan maar halfvol, maar je kunt het bijvullen met de voetbalsupporters die wel in Nederland mogen blijven. Maar hier wil ik het helemaal niet over hebben. En het is geen woede wat ik voel, alleen onrust.

ramdas@nrc.nl