Pekelpap

De masseur van Johan Museeuw is dolblij dat de Omloop Het Volk niet doorgaat. Hij weet hoe de huid van zijn renner aanvoelt na een bevroren parkoers vol keukenzout en pekel. Als een schrale aardappel. Daar valt met geen zalf tegenop te werken. Het anders zo sappige, haarloze opperlaagje is bijna niet meer tot leven te wekken. Nee, voor de masseur hoeft het niet, koersen bij deze extreme weersomstandigheden.

Het is zaterdagochtend. In een geparkeerde auto zet ik de radio harder. De organisator van de wielerkoers spreekt het volk toe: `De risico's zijn te groot, vooral ook voor volgers en publiek. Er zijn ijsplekken in de bochten, de pap blijft liggen. Spijtig.'

Spijtig? Nondeju! Daar zit je dan als wielerfan. De pap blijft liggen! Er blijft overal wel eens pap liggen. Hoezo gevaar voor de toeschouwers? Hoeveel doden in het publiek heeft de Tour de France al op haar geweten? Die gaat altijd door.

Er staat een kruisje in mijn agenda bij deze zaterdag in februari. Op deze datum schudden alle wielerfanaten de laatste winterveren uit hun pels en maken zich op voor het nieuwe seizoen. De schone fiets staat klaar. Na de tv-uitzending van de openingsklassieker klimmen ze erop om de eerste kilometers van hun vaste rondje te nemen. De Omloop Het Volk is het ultieme startschot voor mannen met fietsen.

Het is mis in Vlaanderen. De Nederlandse radioverslaggever zoekt zijn melancholieke baritontimbre en loopt café 't Hemelrijk binnen, op de top van de Muur van Geraardsbergen. De kasseienhelling zit normaal ook in het parkoers van de Omloop Het Volk. Niet dit jaar. De steentjes zijn opnieuw gelegd, het werk is nog niet helemaal af. Vlamingen, waar is jullie ziel voor het fietsen gebleven? Dit is je reinste grafschennis.

De microfoon in het café houdt stil voor de mond van wielerdichter Willie Verhegghe. Hij heeft een nieuwe bundel en begint: `Renners sterven niet, zij verdwijnen alleen maar uit zicht'. Een gedicht over wielrennen, uitgesproken langs de onaffe Muur terwijl de koers is afgelast; ik vind het magertjes voor dé wielerzaterdag van februari.

Vandaag kunnen alle Flandriens even mijn rug op. De stoere mannen met hun granieten koppen zitten als mietjes binnen in het hotel op de rollers. Alleen Frank Vandenbroucke verzet zich tegen het besluit. `Desnoods rij ik door twintig centimeter sneeuw. Ik ben ontgoocheld. Ik wil zó graag.'

Vlaanderen schakelt over naar de radiostudio in Hilversum. Een ooggetuige praat over de aardbeving in Marokko. Dan lul je niet meer over een pekelpapje op de weg naar de meet in Lokeren.

Thuis pak ik de fiets. Het is een rondje van niks, zo zonder de beelden van de Omloop Het Volk in het hoofd. Daar is de Muur van Erasmus. Ik denk terug aan mijn reisje met Erik Breukink en Johan van der Velde. Zij deden voor de camera hun helletocht in 1988 over de Passo di Gavia nog één keer over. Ze reden die enorme Italiaanse berg weer op, nu in november 2002. In het dal regende het, op de helling ging de regen over in sneeuw. Hun achterwiel trok een spoor door het pak sneeuw op het onzichtbaar geworden asfalt.

`Zullen we stoppen', riep ik vanuit de auto, na een uur klimmen in de kou.

Je had het paars aangelopen gezicht van Van der Velde moeten zien. Stoppen? De sneeuw stond in zijn kuif, het kippenvel op zijn blote bovenarm. Stoppen? Hoezo?

`Dit is het, jongen. Machtig mooi!' En met een spinnend achterwiel ploegde Van der Velde voort. De laatste Flandrien die ik zag lachen om vrieskou en beekjes van ijswater is een Hollander.

Ik ga uit het zadel en draai de Muur van Erasmus op. Ik word eindelijk een beetje warm. Goed dan, het wielerseizoen is geopend. Onder protest.