Lichte straf voor mariniers, `geen oorlog in Irak'

De rechtbank in Arnhem heeft vanmorgen de twee mariniers die op 15 augustus vorig jaar tijdens de wacht in Irak in slaap waren gevallen, veroordeeld tot twee weken voorwaardelijke militaire detententie en 60 uur werkstraf.

De sanctie valt aanzienlijk lager uit dan de onvoorwaardelijke straf van vijf maanden cel die het openbaar ministerie eiste. Het OM betoogde toen dat de Nederlandse militairen in Irak onder oorlogsomstandigheden hun werk moeten doen, wat als een verzwarende omstandigheid geldt in het Wetboek van militair strafrecht.

Dit standpunt is tegengesteld aan het standpunt dat het OM lijkt in te nemen in de zaak van sergeant-majoor Erik O., die wordt verdacht van moord wegens zijn rol in een schietincident, waarbij een Iraakse plunderaar om het leven kwam. Begin januari omschreef het hoofd van het OM, J. de Wijkerslooth, in een tv-interview het werk van de Nederlandse militairen in Irak als een soort van `politietaak'. Dit betekent dat het gebruik van geweld door de Nederlanders aan strikte regels is gebonden, aldus De Wijkerslooth toen.

Afgelopen vrijdag voerde de Kamer een spoeddebat over de zogeheten geweldsinstructie voor de militairen in Irak naar aanleiding van een uitgelekte, interne brief van De Wijkerlooth, waarin deze stelt dat de geweldsinstructie voor de Nederlanders ,,meer beperkingen'' kent dan de rules of engagement van de Britten en Amerikanen. Dit is echter niet het geval, zo lieten de ministers Kamp (Defensie) en Donner (Justitie) weten.

De rechtbank in Arnhem verwerpt echter het standpunt dat er sprake is van oorlogsomstandigheden in Irak. Nederland is niet officieel in oorlog. Ook uit de feitelijke omstandigheden ter plaatse kan dat niet worden afgeleid, aldus de rechtbank. Zo was de alarmfase van de Nederlandse militairen op het hoofdkwartier in As Samawah laag ten tijde van het vergrijp van de twee in slaap gevallen mariniers en hoefden de militairen op het kamp geen helm en scherfvest te dragen. De rechtbank merkte wel op dat de omschrijving `ten tijde van oorlog' in het Wetboek van militair strafrecht ,,onvoldoende aansluit bij de veranderde operationele omstandigheden waaronder de krijgsmacht haar internationale taken moet verrichten''.

Volgens Geert Jan Knoops, de advocaat van Erik O., is de beslissing van de rechtbank ,,niet relevant'' voor de zaak van zijn cliënt.