Debat

Dat was een interessant debat tussen Job Cohen en Paul Cliteur, afgelopen vrijdagavond in B&W. Zó worden ze nauwelijks meer gevoerd op de Nederlandse televisie, vooral sinds Buitenhof het lelijk laat afweten: daar wordt de laatste tijd te veel over financieel-economische en te weinig over ideologische kwesties gedebatteerd.

Zo'n debat moet je eigenlijk een paar keer bekijken voor je precies weet waar de sterke en zwakke punten van de deelnemers lagen. De heren begonnen met de verzekering dat ze helemaal niet boos op elkaar waren. Dat leek me nogal een understatement. ,,Als je iets niet echt serieus hoeft te nemen, hoef je ook niet zo boos te worden'', zei Cohen. Hij doelde op de aantijgingen die Cliteur hem in een interview in HP/De Tijd had toegevoegd, zoals `ondemocratische denktrant', `neerbuigende arrogantie' en `flutintegratiebeleid'.

Vervolgens keek Cohen zijn tegenstander grimmig aan en beet hem een paar keer toe: ,,Arguménten.'' Als hij niet boos was, was hij in ieder geval erg kwaad.

Cliteur was in dit opzicht nog minder geloofwaardig. Hij beging voor een polemicus een hoofdzonde door zijn aantijgingen onmiddellijk af te zwakken. Dat interview was `kort door de bocht' geweest, gaf hij toe. Daarin had hij ook nog gezegd dat Cohen niet naar het volk luisterde. ,,Cohen luistert wel, maar naar de verkeerde stemmen'', zei Cliteur nu, daarmee Cohen de gelegenheid biedend om te zeggen: ,,Ik baal ervan dat u nu zo ontzettend relativeert. Wat u opschrijft is veel erger dan wat u nu zegt.''

Na dat slechte begin is het voor Cliteur niet meer goed gekomen. Hij was het meest aan het woord, maar kreeg het minst vat op zijn tegenstander. Cohen was als een volleyballer die aan het net elke keer precies op tijd hoog genoeg sprong om de aanvallen van de andere kant af te blokken.

Het debat scharnierde om drie kwesties. Kun je religie gebruiken bij integratie? Nee, vond Cliteur. Waarom niet, vroeg Cohen, waarom zou je de mensen niet via de moskee voor taallessen mogen interesseren? ,,Dat is erg opportunistisch'', zei Cliteur. ,,Nou én'', zei Cohen.

Tweede kwestie. De islam, en godsdienst in het algemeen, is een struikelblok bij de integratie, vond Cliteur. Een veel te algemene uitspraak, reageerde Cohen, kijk naar Milli Görüs, die wil de Nederlandse islam een ontwikkeling als bij het christendom laten doormaken. ,,Let's hope'', zei Cliteur, niet écht een keihard tegenargument.

Dan de door Cliteur opgeworpen stelling dat de bureaucratie in Nederland het primaat van de politiek aantast. Een te algemene uitspraak, vond Cohen weer, ,,want goede bestuurders weten die ambtenaren best te sturen.'' En hij had meteen twee voorbeelden bij de hand: de Vreemdelingenwet en de belastinghervorming, twee hoofddoelen van `Paars'. ,,Er gaat ook wel eens wat goed'', moest Cliteur daarop zeggen.

Ongewild kwam Cliteur steeds in de positie terecht van de prinzipienreitende studeerkamergeleerde die te ver van de praktijk afstaat. Cohen wees hem daar ook tot twee keer toe expliciet op, en dat was zijn belangrijkste fout. Die conclusie had hij beter aan de kijker thuis kunnen overlaten. Uit de mond van bestuurders klinkt zo'n verwijt algauw nogal `neerbuigend arrogant'.