Een hart als een kerkdeur

De nieuwe roman van Guus Kuijer wijkt radicaal af van al zijn andere boeken. Maar: ,,Helemaal uitzichtloos kan niet, voor kinderen. Alles kapot, dat is meer iets voor volwassenen.''

Meneer Kuijer, ook wel: Guus, laat zich voor het eerst in drieëntwintig jaar interviewen. Want de man die met journalisten praat, valt nou eenmaal niet of nauwelijks samen met de persoon die thuis aan een schrijftafel zit, is zijn ervaring. En die schrijver thuis is ook weer niet dezelfde als `Guus Kuijer, de beroemde kinderboekenschrijver'. ,,Heel andere mannen zijn dat'', zegt hij glimlachend maar resoluut.

In de door hem verkozen `neutrale ruimte' bij zijn uitgever in Amsterdam wil hij, vooruit, wel praten over zijn nieuwe boek. Over het boek, niet over de schrijver ervan. Hij heeft een diepe afkeer van `gewauwel' over het persoonlijk leven van de auteur, dat, volgens hem, ,,nergens iets aan toevoegt en niets verheldert bovendien''. Het nieuwe boek is getiteld Het boek van alle dingen. Het wijkt af van alle andere boeken van Guus Kuijer.

Kuijer, geboren in Amsterdam in 1942 in een streng godsdienstig gezin, begon op zijn vijftiende met schrijven. ,,Zoals je vaker hoort: om geen deel van het systeem te hoeven zijn en, belangrijker nog, ter bevestiging van de eigen identiteit.''

Hij heeft een opvallend lange hals en een klein hoofd met halfgeloken oogleden. Het geeft zijn blik iets geringschattends, maar er tinkelt levendigheid en ironie achter.

,,De naam `Guus Kuijer' is zoiets als een merk geworden'', stelt hij. ,,In het Nederlandse kinderboekenwereldje dan. Een stempel. Zoiets overkomt je. Het is een vreemde gewaarwording. Gelukkig weet daarbuiten niemand ervan. Ik word nooit herkend.'' Onlangs ging hij voor de achtste keer zonder valse snor kijken naar de recente verfilming van zijn Polleke. Voor zijn Polleke-boeken, maar ook voor eerder werk, is Kuijer talloze malen bekroond.

Het boek van alle dingen, dat deze week verschenen is, speelt in de jaren vijftig en staat vol aan de bijbel ontleende beelden. ,,Het jongetje Thomas dat er de hoofdrol in speelt, is diep religieus in een diep religieuze omgeving'', zegt Kuijer. Welke religie het is dondert niet, vindt hij. Het ging hem om het fundamentalisme dat in elk geloof eender is. De bijbel en de sfeer van de jaren vijftig bepaalden zowel de inhoud als de stijl van het boek. Eerder schreef hij, op enkele dieren- en allegorische fantasieverhalen na, juist eigentijdse boeken: in het holst van de jaren zeventig over Madelief, met haar rebelse inslag een echt kind van haar tijd, en de laatste jaren over Polleke, een meisje uit de grote stad met een schoolklas vol kinderen van buitenlandse komaf en een junk als vader.

Het boek van alle dingen begint zo: twee mannen van eenenzestig zitten bij een knappend haardvuur. De een heet Thomas Klopper, de ander is de `wereldberoemde kinderboekenschrijver Guus Kuijer'. `Ik ken u als schrijver met veel gevoel voor de medemens,' zegt Thomas Klopper terwijl hij een dik schrift tevoorschijn trekt. `Ik knikte,'' staat er dan, ,,want dat was waar. Ik heb enorm veel gevoel voor de medemens. Het kan wel wat minder eigenlijk.'

Oneerbiedig

In het schrift staan aantekeningen van meneer Klopper zelf, van toen hij negen was. Oneerbiedige aantekeningen, waarschuwt hij, want zijn jeugd was ongelukkig en dan krijg je dat. De mannen worden vrienden en de schrijver werkt de verhalen van zijn gast om tot een boek, tot dit boek.

Over Guus Kuijer in het boek spreekt Guus Kuijer die geïnterviewd wordt consequent in de derde persoon. Hij heeft het over ,,die oude man en die andere oude man'', over ,,de schrijver en de oude man'' ook wel. `Die schrijver' had een heel ander boek willen schrijven, staat in de eerste twee regels van de proloog die zijn overgenomen uit Kästners Emil en zijn detectives. ,,Een ontroerend boek waar je ook om kon lachen'', over de gelukkige jeugd van de beroemde schrijver zelf, moest het worden.

De dingen in Het boek van alle dingen zijn ontzettend ontroerend en toch ook wel om te lachen (`De kerkdienst duurde lang. Het volk Israël sleepte zich morrend door de woestijn en de kerkbankjes waren hard'). Maar het zijn de dingen van Thomas Klopper. Niet van de een of andere Guus Kuijer, daar valt niet aan te morrelen.

De omweg van de proloog is uniek in Kuijers oeuvre, dat juist opvalt door de directe toon. Polleke begint meteen op de eerste bladzijde over haar meester die verliefd is op haar moeder (en andersom), Madelief stond er ook gewoon meteen, pats boem, in zijn kinderboekendebuut Met de poppen gooien (1975), en zo ging dat tot nog toe steeds. Hij verleidde zijn lezers zonder uitnodiging of duiding vooraf.

Behalve om er met nadruk op te wijzen dat een en ander in Het boek van alle dingen niet autobiografisch mag worden opgevat, heeft de proloog nog een functie. ,,Er wordt op de totstandkoming, op de constructie gewezen'', zegt Kuijer. ,,Namelijk: hier is geen negenjarige aan het woord, maar een eenenzestigjarige over een eenenzestigjarige, over een negenjarige. Het is een nadrukkelijke herinneringsconstructie''.

,,Het gaf me ruimte om bijvoorbeeld letterlijk uit de bijbel te citeren'', zegt hij, ,,en om volwassenen uitspraken te laten doen waar een negenjarige niets van snapt. Die dingen zijn toegevoegd, maar wel op basis van de aantekeningen in het schrift van Thomas hè.''

Na de proloog koos Kuijer desalniettemin wel voor een toon die dichtbij zijn gebruikelijke directheid staat. De ingrepen vallen niet op, al zijn de uitstapjes naar bijvoorbeeld de engelen in de hemel talrijk en wordt gerefereerd aan en geciteerd uit werk van Erich Kästner en Annie M.G. Schmidt.

Kuijer: ,,Kästner, Emil en zijn detectives, ja, dat las ik ook op mijn negende. Net als Alleen op de wereld, dat ook genoemd wordt. En nog een heleboel meer. Maar de versjes van Schmidt niet hoor, die ontdekte ik eigenlijk pas toen ik al volwassen was.'' `Mr. van Zoeten', het vers over de heer die zijn voeten wast in het aquarium, speelt een belangrijke rol in het boek. Thomas draagt het voor op de door hem eigenhandig in het leven geroepen leesclub, een ware verzetsdaad. Kuijer eert Schmidt: achterin zijn boek is het vers nog eens, in zijn geheel, opgenomen.

Slechts eenmaal komt de schrijver in het boek nog `hardop' tussen de lezer en het verhaal van Thomas. `Waarschuwing,' staat er dan tussen haakjes, `Het vers dat Thomas nu gaat opzeggen, kun je rustig overslaan. Het is niet te lezen!' Daarop volgt psalm 22: Mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?

Als de vader van de hoofdpersoon Thomas weer eens uithaalt naar zijn vrouw, of naar zijn zoon, wringen de engelen zich de handen en snikken het uit. Heel het aardoppervlak droogt uit, al het levende laat de kopjes hangen en valt als stof uiteen.

,,Thomas heeft zoals alle kinderen het kosmische gevoel dat hij het middelpunt van de wereld is'', zegt Kuijer. ,,Een gevoel dat nooit helemaal verdwijnt trouwens, als je moeder sterft en de bakker staat gewoon in de winkel... het blijft vreemd. Als Thomas iets overkomt, davert alles op zijn grondvesten. De hemel davert dus ook, want hij is heel gelovig. Even sterk als zijn vader, maar op een kindermanier.''

De vader vat de religiositeit van zijn zoon echter op als spot. Als zijn zoontje in al zijn onschuld zingt over de `Goede stierenheer', in plaats van de Goedertieren Heer, ranselt hij hem af met een houten lepel. Kuijer kijkt kwaad als hij hierover praat: ,,Zelf ben ik niet gelovig hoor. Maar als Jezus heeft gezegd `laat de kinderen tot mij komen', dan mochten ze vast en zeker ook aan zijn baard trekken.''

Thomas voelt zich schuldig, altijd en overal en over alles, en weet toch ook dat hij `bijzonder' is. Hij haat zijn vader en bidt de Heer hem nooit te vergeven, maar kan het zich in het optimistische slot van het boek veroorloven iets als medelijden te voelen met de altijd doodsbenauwde man. Een netwerk van vrouwen en kinderen heeft zich dan tegen de man aaneengesloten en alles komt behoorlijk goed.

,,Helemaal uitzichtloos kan niet'', zegt Kuijer. ,,Niet voor kinderen. Alles kapot, dat is meer iets voor volwassenen. Een vage doodswens zit er trouwens wel in, ik keek er zelf van op. Misschien neem Ik je wel tot Mij, zegt Jezus en de jongen reageert met: Dat lijkt me mieters, Jezus.''

Mieters. Een typisch woord uit het `taallandschap', zoals Kuijer het noemt, van de jaren vijftig. Alle beelden in het boek komen daarvandaan: de zondag die de enige dag is die `als een handkar' voortgeduwd moet worden (de andere dagen `rollen vanzelf de brug af'). Een stem die klinkt als een `lege emmer', een keel die voelt als een `schroefdeksel', een hart dat bonst `als een kerkdeur'. Kuijer: ,,Een aantal van dit soort vergelijkingen heb ik herhaald, opdat het boek een droomachtige kwaliteit zou krijgen.''

Archaïsch of onvoorstelbaar wordt het gekuier door het vijftiger-jaren-taallandschap nooit. Beelden en gebruiken uit de kerk verklaart hij meteen. `De litanie was het heen en weer zingen in de kerk', staat ergens bijvoorbeeld. Sommige kerkelijke voorschriften zullen veel huidige jonge lezers waarschijnlijk bekend voorkomen en behoeven helemaal geen uitleg: `Op zondag gingen ze naar de kerk. (-) Moeder met een hoed op en Margot met een hoofddoekje, want dat moest van de kerk. Je mocht het kapsel van vrouwen niet zien. Bij mannen was het niet erg, want die hadden geen kapsel.'

Tjitjaks

Er is maar één ding uit Het boek van alle dingen wellicht onduidelijk voor lezers die uit latere `taallandschappen' stammen: de `tjitjaks' boven de schoorsteen in Thomas' huis. Kuijer lacht: ,,Dat waren koperen gekko's op een batikkleed, dat was toen doodgewoon, net zoiets als het hertje van Van Meegeren.''

Het kostte hem geen moeite woorden en beelden te vinden om de jaren vijftig mee te suggereren. ,,Ik hoefde er niet naar te zoeken'', zegt hij. ,,Ik denk dat ik al jaren met dit boek rondliep. Nu was de noodzaak er meer dan eerder om het te schrijven... Het belang van de corrigerende tik, bijvoorbeeld, daar wordt nu opeens weer over gesproken. Binnen welk geloof, dat maakt niets uit. Alle fundamentalisten willen zich opsluiten in een getto, zonder beïnvloeding, met volledige aanpassing. Dat is wat de vader in het boek poogt te doen. Van Thomas eist hij het afschaffen van zijn eigenheid, hij wil zijn kern uit hem ranselen.''

Guus Kuijer windt zich op. Zelf was hij `reuze blij' met het tijdvak dat volgde op de benauwde jaren vijftig. Hij ziet parallellen tussen de aanpassing die fundamentalisten eisen en de huidige mode in de politiek.

,,Politici roepen tegenwoordig van alles over aanpassen, aanpassen met verlies van de eigen identiteit'', zegt de wereldberoemde schrijver luid. ,,Wat is dat in vredesnaam? Dat kan helemaal niet en dat moet je niet willen. Het is een pokkeland aan het worden, Nederland.''

`Het boek van alle dingen' (ill. Peter-Paul Rauwerda) verscheen bij uitg. Querido.

Kuijer maakt met het Elektra Kamerkoor een `vertelvoorstelling' van `Het boek van alle dingen.' Vanaf september in de theaters