`Zijnsvermoeidheid' van goden spreekt tot verbeelding

Afshin Ellian gaf zijn column van 24 januari de titel `Chagrijnige goden'. Knap gevonden en zeer tot de verbeelding sprekend, want ik zie ze al voor me, op de Olympus gezeten of ijsberend met hun goddelijke hoofden gebogen, want zo onbegrepen en moegestreden zijn zij. De metamorfosen waarin zij belichamen wat wij mogen dromen; het is voor niets wat zij vertellen, dat is gebleken. `Zijnsvermoeidheid' geldt voor hen, onze goden, wanneer wij louter in causaliteit over de aarde lopen, chagrijnig over al het onbegrip van boven voor onze daden hier beneden.

En dan is daar de ethiek waaruit ,,onze plicht, de onontkoombare noodzaak tot handelen en ondernemen voortspruit''. Wijzelf maken de ethiek. Wijzelf verzinnen een motief om ons handelend wezen te verklaren.

Wij zijn hier en het onbekende is daar; zo menen wij de wegen en de wijze waarop zij in kaart te brengen zijn te bewandelen en het reisdoel waarheen zij blijkbaar voeren, dat onbekende, als het grote ,,risicovolle avontuur'' of als het menselijk leven te duiden.

Wij maken de goden. Door toeval en tijd gedreven, kennen wij het hoe en waarom. Maar om 't even; het is een briljant stukje tekst van Ellian wiens `zijnsvermoeidheid' wellicht voortkomt uit de ethische plicht zich los te maken van zijn Allah, een god onder de goden.

En hij tuurt in de bioscoop naar het westen waarin hij zichzelf wegdroomt richting welke horizon dan ook. In ieder geval naar bevrijding van wat hem op de schouders drukt; herinnering en de wetmatigheid van toeval en tijd waarin toen, nu en later door de mens wordt bepaald.