Warme soorten

In `Warme soorten' (W&O, 24 jan.) plaatst Karel Knip een aantal kanttekeningen bij de berekeningen voor het artikel in het tijdschrift Nature van 8 januari. over de kans op uitsterven van planten- en diersoorten door klimaatverandering. Hij stelt dat zij gebaseerd zijn op `rammelende statistiek' en dat daardoor de effecten zijn `aangezet'.

De gepubliceerde resultaten representeren kansen op uitsterven van soorten met als uitgangspunten klimaatscenario's, ecologische kennis en recente trends in verschuiving van het voorkomen van soorten (zie Natuurbalans 2003, MNP). Dit is in wezen niet anders dan de verwachtingen voor het weer, de economische groei en de bevolkingssamenstelling. Van belang voor een maatschappelijke afweging is dat de onzekerheden die bij de berekeningen worden gehanteerd duidelijk zijn.

De bekritiseerde `soort-areaal relatie' (SAR) is één van de best gedocumenteerde wetmatigheden uit de biogeografie over de processen die er toe leiden dat soorten in een bepaald gebied kunnen voorkomen. De relatie weerspiegelt het gegeven dat er soorten zijn met een klein en soorten met een groot verspreidingsgebied. De relatie is algemeen geldig, maar de numerieke waarde van de `parameters' in de wiskundige formule verschillen van plaats tot plaats. De relatie geeft aan dat bijvoorbeeld een halvering van het oppervlak van een bepaald ecosysteem tot minder dan een halvering van het aantal soorten leidt. Indien bijvoorbeeld de toendra in het noorden van Europa zal halveren, dan volgt uit voor dat gebied gekwantificeerde relatie dat circa 15% van de daar levende soorten na verloop van tijd zal verdwijnen. Dit zijn meestal de soorten met een relatief klein verspreidingsgebied. De oorzaak van het halveren van het toendragebied doet er in beginsel niet toe. De door Thomas e.a. gebruikte waarde is een gemiddelde waarde uit een groot aantal studies.

Een klimaatenvelop geeft aan onder welke klimaatomstandigheden soorten kunnen voorkomen. De klimaatenveloppen in het door het Milieu- en NatuurPlanbureau gebruikte model Euromove zijn gebaseerd op de atlas voor de flora van Europa. De atlas kent onzekerheden, maar is een wetenschappelijk erkend werk over de verspreiding van plantensoorten. Het is overigens algemeen bekend dat het klimaat samen met het bodemtype in natuurlijke ecosystemen bepalend is voor het voorkomen van plantensoorten. Niemand in Nederland verbaast zich toch over het ontbreken van tropisch regenwoud of toendra. Binnen de klimaatenvelop hangt de specifieke kans op voorkomen af van tal van andere factoren, bijvoorbeeld historische agrarische praktijken en concurrentie tussen soorten.

Ten slotte suggereert Knip dat aanpassing van soorten de effecten van klimaatverandering zou kunnen compenseren. Bij een aantal soorten kan dat gebeuren. Ook hier gelden onzekerheden. In het artikel in Nature wordt daar echter geen rekening mee gehouden, omdat nog niet is aangetoond dat een relevant deel van de soorten zich bij het verwachte tempo van klimaatverandering zou kunnen aanpassen. De studie van Thomas e.a. is met andere woorden een gefundeerde vroege waarschuwing over de te verwachten effecten van klimaatverandering. In welke mate deze verwachting uitkomt hangt af van de intensiteit en het tempo van de uitvoering van het wereldwijde klimaatbeleid en van de ruimte die soorten geboden wordt om te migreren, zoals bijvoorbeeld via een wereldwijde ecologische hoofdstructuur.