Tien jaar na de obligatiekrach

Toen de Amerikanen tien jaar geleden voor het eerst sinds de recessie de rente verhoogden, ging de hele obligatiemarkt onderuit. De centrale bank in Washington is al bezig een herhaling te voorkomen.

Toch nog onverwacht, zo zou de marktreactie genoemd kunnen worden op het ene kleine zinnetje dat de Amerikaanse centrale banken woensdag bleken te hebben veranderd. In plaats van de na vorige beleidsvergaderingen gebruikelijke zinsnede dat de rente onveranderd blijft voor een ,,aanzienlijke periode'', stelde het bestuur van de Federal Reserve nu dat het ,,geduldig kan zijn met het verwijderen van het accomoderende (monetaire) beleid''.

De conclusie die meteen daarna op de financiële markten werd getrokken was in grote lijnen waar de centrale bankiers op hadden aangestuurd: over niet al te lange tijd is het afgelopen met het supersoepele rentebeleid in de VS. De geldmarktrente bedraagt nu al driekwart jaar 1 procent, en eens zal hij weer omhoog moeten.

Hoe? Héél voorzichtig, zo leert het verleden.

Aanstaande woensdag is het tien jaar geleden dat de Federal Reserve voor het eerst na een recessie zijn belangrijkste rentetarief verhoogde. De rente had bijna twee jaar op 3 procent gestaan – voor die tijd een ongehoord laag niveau – en op 4 februari was het zo ver: het tarief ging omhoog met een kwart procentpunt.

Op de markten kon niemand zeggen dat hij niet op de stap was voorbereid: op 31 januari had Fed-voorzitter Greenspan tegen de bankencommissie van het Amerikaanse Congres gezegd dat de rente `abnormaal laag' was. Duidelijker kan het niet. Maar toch reageerden de markten in 1994 bijna panisch op de renteverhoging van februari, en het beperkte aantal stappen dat daarna nog volgde. Met name op de obligatiemarkt kwam de klap hard aan. Een forse koersdaling van obligaties dreef de langlopende rente daar omhoog van iets boven de 5 procent naar tegen de 8 procent. Er was een dag bij dat de rente op de tienjarige Amerikaanse treasury tijdens één handelssessie met 0,39 procentpunt steeg. Ook in Europa was de klap voelbaar. Daar ging de tienjarige Nederlandse obligatie van onder de 5 procent in januari naar 7,5 procent aan het eind van het jaar.

Dergelijke langdurige obligatiekrachs zijn zeldzaam, en de scherpe koersbewegingen van destijds worden ook op dagbasis niet vaak waargenomen. Toevallig was het afgelopen zomer raak, toen de markt zich door de Federal Reserve op het verkeerde been gezet voelde. Toen ging het nog om de vraag of er een periode van deflatie – het dalen van de prijzen – zou komen. De Fed had er een heel punt van gemaakt, maar liet vervolgens een verwijzing naar de kans op deflatie van het ene op het andere moment uit zijn communiqué vallen. Tot verontwaardiging van met name de spelers op de obligatiemarkt, waar een forse koerscorrectie plaatsvond.

Zo is niet alleen 1994, maar ook de afgelopen zomer, reden om heel voorzichtig om te gaan met de obligatiemarkt. Woensdag en donderdag, nadat de Fed zijn `aanzienlijke periode' bleek te hebben ingeruild voor `geduld', vonden er in New York en Europa al forse correcties plaats. Daarbij schoot donderdagochtend de Nederlandse tienjaarsrente bijvoorbeeld met 0,13 procentpunt omhoog.

Nu zullen de Europese obligatierentes de Fed wellicht niet zo veel kunnen schelen, maar de Amerikaanse obligatiemarkt uiteraard wel. De langlopende rentevoeten die daar worden bepaald, zijn even belangrijk als de kortlopende rente die de centrale banken vaststelt. Het beïnvloeden van het gedrag van de obligatiemarkt is dan ook op te vatten als een van de kerntaken van een centrale bank. Hopen dat de Fed daar dit jaar handiger in is dan na de vorige recessie, tien jaar geleden.