Lieg nooit, alles komt toch uit

Politici en gezagsdragers zijn niet ook maar gewone mensen. Erasmus wist het al: `Niets is werkelijk goed tenzij het gepaard gaat met zedelijke onkreukbaarheid.' Over liegende ministers, dronken wethouders en meisjes die prinses willen worden.

We lijken het spoor aardig bijster te zijn. ,,Een illusie armer'', riep de voorpagina van de Volkskrant ons toe na het aftreden van de Amsterdamse wethouder Oudkerk (over wie ik het hierna zo min mogelijk zou willen hebben): ,,Hoe de affaire Oudkerk het einde van de tolerante samenleving markeert.'' Dat is nogal wat: we dachten kennelijk dat we een tolerante samenleving hadden, maar door deze affaire blijkt dat een illusie en die is ons nu ontnomen. Bezorgde grote woorden die misschien vooral aangeven hoe onzeker we zijn omtrent die samenleving van ons en hoe graag we door middel van kordate analyses onszelf de indruk willen geven greep op de materie te hebben.

Waren `we' zo tolerant? Ja hoor, zeker als de dingen ons zó werden voorgesteld als we ze zelf ook al meenden te vinden. Maar zodra het iets minder politiek correct werd (Bolkestein over immigranten, een Amsterdamse politiecommissaris over de herkomst van criminele jongeren), dan stonden `we' ogenblikkelijk klaar met pek en veren. Misschien is veel van die mooie tolerantie in wezen niet veel meer dan onverschilligheid: zolang we er geen last van hebben, zal het ons een zorg wezen. Maar zodra zich serieuze problemen beginnen voor te doen, blijkt onze veelgeprezen en vaak zo fraai historisch geduide tolerantie sterk aan modes onderhevig en beginnen we taal uit te slaan waar Bolkestein van zou blozen, of sturen elkaar kogelbrieven. Als ware middeleeuwers overwegen we dan ineens een hele stad te sluiten voor nieuwkomers, alle scholen moeten detectiepoortjes en bewakers krijgen (in plaats van kleinere klassen en beter onderwijs), en als de staat Israël zich misdraagt, duikt meteen, blijkens een recente enquête, de aloude verdenking weer op dat `de joden' de internationale financiële wereld beheersen. Hoezo tolerant?

Overigens, in sommige dingen die ertoe doen zijn we natuurlijk wel tolerant, ook als het om politici en bestuurders gaat. Alleen vinden we die dingen inmiddels zo gewoon, dat we onszelf daarbij niet meer als `tolerant' zien. We vinden het gewoon dat de vrouwelijke minister een relatie heeft met een vriendin die burgemeester is van een middelgrote stad; en ik ken een christelijk dorp dat zeer gesteld is op zijn burgemeester die een meneer met een vriend is. Omdat alles van waarde echter weerloos is, om met Lucebert te spreken, en omdat de democratie op wantrouwen berust, moeten we bijzonder blijven vinden wat we gewoon vinden: morgen kan de prediker opstaan die het wil verbieden.

Maar belangrijker is, dat de hele kwestie waar het hier om gaat met tolerantie niks te maken heeft en met een te markeren einde van een tijdperk al helemaal niet. De vraag wat burgers wel of niet van gezagsdragers kunnen accepteren is al zo oud als de georganiseerde samenleving zelf, en de gedachte dat daar tolerantie aan te pas zou komen is typerend voor een `modern' misverstand, namelijk dat `we' allemaal maar gewone jongens en meisjes zijn, dat iedereen toch wel eens vul maar in, en dat iedereen toch recht heeft op een privé-leven. Het bedenkelijkste zinnetje dat het eigentijdse Nederlands voor die opvatting heeft ontwikkeld, is het veelgehoorde: ,,Moet kunnen.''

Een kleine collectie voorbeelden, uit het geheugen opgetekend:

Een andere Amsterdamse wethouder ramt, alweer enige jaren geleden, in dronken toestand 's nachts met zijn auto een paal; hij treedt niet af, maar deelt mede dat hij zál aftreden als een meerderheid van de raad dat wil. Die meerderheid wil dat niet, dus wethouder blijft zitten.

Een minister van Verkeer en Waterstaat dramt, tegen een overvloed van argumenten en cijfers in, de Betuwespoorlijn door en verzekert ons dat wij daar veel profijt van zullen hebben en dat de spoorlijn absoluut nodig is, wil Nederland niet een achtergebleven gebied in Europa worden. De spoorlijn blijkt veel meer te kosten dan zij beweerde; het nut blijkt ook zeer dubieus en daarbij zal de zo profijtelijke verbinding de staat tot in lengte van jaren niets opbrengen maar jaarlijks miljoenen blijven kosten. De minister blijft zitten en vervult later nog vele hoge ambten.

Een aankomend lid van de koninklijke familie heeft als studente nog gescharreld met een beruchte misdadiger en heeft, net als haar toekomstige gemaal, het gevoel dat ze dat maar beter kan verzwijgen. Als het toch uitkomt, liegt ze eerst een beetje en omdat uiteindelijk natuurlijk nog veel meer uitkomt, wordt ze maar geen prinses. Sommigen menen schuldbewust dat de pers dat nu niet had moeten doen, het is een aardige meid en ze heeft toch recht op een privé-leven.

De minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken verzekeren het volk dat wij de Amerikaanse oorlog tegen Saddam Hussein politiek wel steunen maar militair niet. Als een Amerikaanse generaal enige tijd later op de tv aan de wereld uitlegt hoe goed het met de oorlog gaat, blijkt hij geflankeerd te worden door een hoge Nederlandse militair, die hij met name noemt en bedankt voor zijn hulp. Volgens de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken was die militair toevallig in de buurt. De minister-president is er nog steeds en de minister van Buitenlandse Zaken is inmiddels secretaris-generaal van de NAVO.

Steeds weer blijkt bij enquêtes dat ambtenaren van rijk, provincies en gemeenten regelmatig snoepreisjes en andere cadeaus accepteren van aannemers van grote werken. ,,Het hoort er zo'n beetje bij.''

Een wethouder gebruikt een computer van zijn gemeente om thuis pornofilmpjes te bekijken. Elders zijn ambtenaren wegens hetzelfde vergrijp (want een vergrijp is het) ontslagen. De wethouder zegt dat hij het nooit meer gedaan heeft, nadat de burgemeester hem waarschuwend heeft toegesproken. Later zegt de wethouder dat de media zijn privé-leven hebben verwoest. Hij treedt niet zelf af; zijn fractie stuurt hem naar huis.

Moet kunnen, allemaal.

De voorbeelden zijn divers en zouden met vele andere kunnen worden aangevuld, maar dat zou eentonig worden. Wat ze gemeen hebben, is dat ze niet gaan over de haringboer die ons een bedorven en geheel niet nieuwe haring heeft verkocht, of over de bakker die naar de hoeren is gegaan zonder dat zijn vrouw het wist. De eerste kunnen we boycotten en de tweede zegt terecht dat het om zijn privé-leven gaat, dat we daar niks mee te maken hebben en dat we mogen komen zeuren als zijn brood niet goed is.

Maar mijn voorbeelden gaan over mensen die we hebben aangesteld om ons land of delen daarvan te besturen, of die we gewoon als aanhang van het staatshoofd erven zolang we die vreemde gewoonte niet afschaffen. Van zulke mensen mogen we volstrekte onkreukbaarheid verwachten, zodra ze de positie hebben aanvaard die wij hun hebben toevertrouwd. En van dat moment af hebben ze ook geen privé-leven meer zoals de bakker dat heeft.

Dat besef is al heel oud en het is uiterst verwarrend voor een samenleving als aan die strikte norm wordt gerommeld, zoals moge blijken uit de verkeerd gerichte bezorgdheid van de Volkskrant.

Deze verwarring wordt in de hand gewerkt, doordat we in toenemende mate leven met de plaag van de Bekende Nederlander, we schijnen zelfs de nieuwe afkorting BN'er te hebben. De BN'er woont geheel vrijwillig in een glazen huis, hij heeft zelfs erg zijn best gedaan om erin te komen, en wie dat wil – en grote delen van `het volk' blijken dat te willen, wat natuurlijk ook een conditie is voor het fenomeen – kan alles van hem of haar weten. De laatste borstvergroting, eetproblemen, wel of niet gefacelift, drugsgebruik, liefdesbaby's, het verdriet om het gestrande huwelijk, alles is voer voor de massa, niets is privé. Dat is ook de inzet van het BN-schap. Je kunt, blijkens het bizarre tv-programma Big Brother, zelfs BN'er worden als je werkelijk geheel niets méér presteert dan blaartrekkende wartaal uitslaan over je volstrekt onbetekenende zelf: door niets anders te doen dan in dat glazen huis te gaan zitten. ,,De grote massa van het gewone volk'', zei Erasmus al, ,,wordt geregeerd door onjuiste meningen en verschilt niet van diegenen bij Plato die de ijdele schaduwen voor de werkelijke dingen hielden.''

Het is voor politici heel verstandig, uit de buurt van het BN-schap te blijven. De beste politici zijn degenen van wier privé-leven je zo goed als niets weet. Natuurlijk weten we ook van de onkreukbare politicus die onze opdracht voorbeeldig uitvoert vaak wel iets – dat zij getrouwd is, of geweest; dat hij door de belasting van het ambt of gewoon doordat hij heel intelligent is en daardoor de zin van het bestaan wel eens in twijfel trekt, soms te veel drinkt; dat zijn man een zeer talentvol architect is; of dat hij van de gedichten van Herman Gorter houdt. Maar bij veel méér raakt algauw, zoals ik een oudere Amsterdammer eens heb horen zeggen, ,,het hek van Artis''. Genoemde minister-president moet zich helemaal niet samen met twee BN-meisjes op de buis vertonen, omdat dat zo smakelijk is voor het kijkersvolk. Hij moet in verband worden gebracht met serieuze staatszaken, met de manier waarop hij nu eindelijk het probleem eens gaat oplossen van de verzorgingstehuizen waar ze vier oude mensen in één slaapkamertje stoppen, om maar eens wat te noemen.

Natuurlijk is de rol van de media uiterst belangrijk geworden voor het politieke bedrijf, maar het is aan politici zelf om uit te maken hoe ze zich aan de media vertonen. Een politicus die zich erover beklaagt dat de media met zijn privé-leven aan de haal zijn gegaan, heeft er zelf voor gezorgd dat er iets is waarmee ze aan de haal kónden gaan – met andere woorden: hij heeft zelf zijn privé-leven op straat gebracht, of in het glazen huis. Hetzelfde geldt voor het Meisje dat zo graag Prinses wilde worden. En voor de minister die rommelde met de cijfers van de Betuwelijn. Ik vind niet dat ze achteraf gestraft hoeft te worden, zelfs ministers mogen zwakke momenten hebben, maar nóg een ministerschap? Nóg een hoge functie? En de wethouder die zelf zorgde dat zijn kamertjeszonden op straat kwamen, die een beetje loog en draaide – die mag zelf vinden dat hij had kunnen blijven, maar dat hoeven wij toch niet te vinden?

Misschien zouden de lieden die tegenwoordig politici en andere publieke figuren `trainen', hun als eerste regel kunnen leren: ,,Lieg nooit. Alles komt toch uit.'' En als tweede: ,,Als je een avontuurlijk privé-leven wilt hebben, ga dan nu uit de politiek. Word bakker.''

Ik heb het nu niet over smaad, noch over onsmakelijke sensatiejournalistiek waar de getroffene géén aanleiding toe heeft gegeven. Daar kun je voor naar de rechter, zoals prins Claus bewees.

Trouwens, het meest indrukwekkende voorbeeld van een kundige politicus die privé en openbaar zeer streng gescheiden wist te houden, zag ik ooit op de tv van de voormalige minister van Economische Zaken Wijers. Hij streefde ernaar `gewone' werktijden aan te houden, zodat hij ook nog zoiets als een normaal gezinsleven kon hebben. Naar aanleiding van een politieke gebeurtenis die ik vergeten ben, meldden de media zich dus maar bij zijn voordeur. Zelden heb ik iemand zo volstrekt zeker van zichzelf de pers zien wegjagen, met de strenge terechtwijzing dat men ver van zijn privé-domein diende te blijven.

Er is weinig nieuws in de politiek. In zijn Verkiezingshandleiding, van 64 vóór Christus (vertaald door J.A. van Rossum en H.C. Teitler), geeft Quintus Cicero zijn broer, de beroemde redenaar die zich kandidaat stelde voor het ambt van consul, een reeks adviezen voor als hij de verkiezingen ingaat. Zo moet hij zoveel mogelijk vrienden maken waar hij voordeel van kan hebben, hij moet zich op straat vertonen met een gevolg van indrukwekkende lieden (,,Als dagelijks een groot aantal mensen je naar het Forum begeleidt, wordt je prestige navenant hoog ingeschat''), en hij moet door goede publiciteit de volksgunst winnen. Deze adviezen zijn vaak ingebed in slimmigheidjes, Elsschots Lijmen waardig, maar Quintus vindt dat dat allemaal wel mag, omdat zijn broer een ,,energiek, hardwerkend, onbesproken en welsprekend man'' is. Ook toen lag het privé-leven van politici kennelijk al op straat als ze daar aanleiding toe gaven; twee tegenstrevers van Cicero zijn volgens Quintus hoerenlopers en messentrekkers, dus de onbesproken broer maakt een goede kans.

Strenger is Erasmus, die ik boven al citeerde (uit De draagbare Erasmus van J. Trapman), maar die houdt zich dan ook bezig met de opvoeding van de vorst, in een verhandeling die is opgedragen aan de jonge Karel V.

Erasmus vindt simpelweg dat de vorst onkreukbaar moet zijn en een voorbeeld voor het volk, en daarmee uit. Hij weet natuurlijk ook wel dat niemand volmaakt is, maar dat mag geen reden zijn om de norm te verlagen. Niks we zijn allemaal maar gewone jongens en meisjes en iedereen heeft wel eens wat. ,,Het is de plicht van een goed vorst, geen bewondering te koesteren voor de dingen, waaraan het gewone volk groot gewicht hecht, doch alle dingen naar hun eigen verdienste te beoordelen als `goed' of `slecht'. Maar niets is werkelijk slecht als het niet samengaat met lage gemeenheid, en niets werkelijk goed tenzij het gepaard gaat met zedelijke onkreukbaarheid.''

Nu is de politicus geen vorst, daarom kunnen we hem ook gemakkelijker wegsturen, maar we hebben hem wel een deel van de taken van de vroegere vorst toevertrouwd. Waarom zou voor hem dan niet gelden wat Erasmus van de vorst vraagt: ,,Laat de zorg voor de staat uw persoonlijke ambities volledig overheersen.''? En: ,,Drijven uw persoonlijke, menselijke gevoelens [...] u tot het doen van dingen die niet rechtmatig zijn en niet in het belang van de staat? Laat dan uw gevoel voor wat eerbaar is de overhand behouden.''

Erasmus is het met mij eens wat u en mij en de bakker betreft: ,,In het geval van particuliere personen is enige toegeeflijkheid geoorloofd jegens de jeugd en de ouderdom: de eerste zal nu en dan een fout maken, en de laatste heeft recht op een rustige oude dag.'' Maar van toegeeflijkheid tegenover gezagsdragers kan geen sprake zijn: ,,De man die de verplichtingen van een vorst op zich neemt en aller belang moet behartigen, heeft niet het recht om jong of oud te zijn; hij kan geen fouten maken zonder dat dit grote schade voor velen betekent.''

Dat zijn strenge woorden voor een humanist. Maar niet té streng om toegepast te worden op sommige van onze piepende en zuchtende ambtsdragers: niemand is tenslotte verplicht politicus te worden. We horen vrijwel dagelijks machteloos en nergens toe leidend gepraat over normen en waarden die hersteld zouden moeten worden, maar misschien zou het geen slecht begin zijn als politici eens lieten zien hoe dat er in de praktijk uitziet, waardig gedrag.

Als ze zich weer bewust zouden worden van hun voorbeeldfunctie en van de verplichtingen die de waardigheid van hun ambt hun oplegt, in plaats van naar de pers te wijzen als hun geklungel of hun draaierijtjes openbaar worden. Ik zou het persoonlijk buitengewoon op prijs stellen als ik eens een tijdje niets zou vernemen omtrent privé-levens van politici.

Schrijver van romans, gedichten en verhalen. De romans Een leeg landschap (1988) en Het verhaal van een middag (1994) werden genomineerd voor een literaire prijs