Kerkuil

Musea zijn rijk aan vogels: geschilderde vogels, vaak kleurrijker weergegeven dan in werkelijkheid. De middeleeuwse kunstenaar Albrecht Dürer maakte in 1508 Das Kaüzchen, een ontroerend portret van een jonge kerkuil. Nu te zien in het Albertina-Museum, Wenen. De kerkuil (Tyto alba) spreekt van alle uilen het meest tot de verbeelding: zijn roep is sinister, de spookachtige vlucht met de wit oplichtende ondervleugels is onheilspellend. Deze nachtelijk jagende roofvogel, die voornamelijk leeft van muizen, heeft lichtgevoelige ogen en uiterst scherpe oren. Zijn borst is licht gespikkeld, de bovenzijde heeft een oranje gloed. De diepzwarte ogen glanzen in het gesluierde gezicht, net als de halfverborgen haaksnavel. De waarneming van een kerkuil is onvergetelijk. Zijn vlucht is geruisloos, alsof er slechts veren door het duister zeilen. De kerkuil heeft een voorliefde voor kleinschalig, open landschap. Hij houdt van vervallen gebouwen, oude boerderijen, kerktorens met galmgaten, verlaten molens, kortom: die broedplekken die half verwilderd zijn en teruggegeven aan de natuur. Helaas bestaan er daarvan te weinig in ons land. Geen ruïne zonder kerkuil, geen kerkuil zonder ruïne.

Illustratie: Rein Stuurman

(Zien is kennen!) Tekst:

Kester Freriks; freriks@nrc.nl