Het tweede boek Gods

Het intellectuele leven van de zeventiende eeuw werd gedomineerd door de notie van een `Boek der Natuur' naast de bijbel. Niet zozeer rationalisme maar tekstkritiek en exegese stuurden de ontwikkelingen.

TOEN DE Amsterdamse natuuronderzoeker Jan Swammerdam in 1678 zijn Franse weldoener Thévenot een studie van de luis toezond, presenteerde hij deze als `de almachtige vinger Gods in de anatomie van een luis, waarin u wonderen op wonderen gestapeld zult vinden, en de wijsheid Gods in een klein punt helder ziet tentoongesteld'. Aan het eind van zijn brief noemt Swammerdam de wonderen der natuur letterlijk `een opengeslagen bijbel' en het is niet voor niets dat Herman Boerhaave zestig jaar later het nagelaten werk uitgaf onder de titel Bybel der natuure.

De notie van het `Boek der Natuur', naast de bijbel, zet, aldus wetenschapshistoricus Eric Jorink, de vaderlandse wetenschapsbeoefening in de Gouden Eeuw in een ander licht. Eerder deze maand promoveerde Jorink cum laude op het proefschrift `Het Boeck der Natuure' Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods Schepping, 1575-1715. ``Ik heb er ruim tien jaar aan gewerkt'', zegt Jorink in zijn kamer op het Haagse Constantijn Huygens Instituut, waar hij in 2001 is aangesteld om de receptie van Newton in Nederland in kaart te brengen. ``Mijn scriptie ging over kometen en begeleider – en promotor – Klaas van Berkel, die zich toen met rariteitenkabinetten bezighield, opperde de zaak vanuit het idee van het Boek der Natuur te bekijken. Dat bleek zo vruchtbaar dat ik na de kometen de wondere wetenschap van de Gouden Eeuw in zijn geheel op die manier heb benaderd. Dat is levensgevaarlijk, de hoeveelheid bronnen is enorm, voor je het weet waaiert zo'n onderwerp alle kanten uit. Gelukkig ben ik niet de bocht uitgevlogen.''

De aanpak via het Boek der Natuur heeft volgens Jorink het voordeel dat het een contemporaine notie betreft. ``Ik heb nu eens niet gebaande paden willen betreden. De traditionele lijn Simon Stevin - Isaac Beeckman - René Descartes - Christiaan Huygens, inclusief de bijbehorende concepten `wetenschappelijke revolutie' en `mechanisering van het wereldbeeld' heb ik bewust links laten liggen. Dat zijn inmiddels sleetse termen die een eenzijdig beeld oproepen. In standaardwerken over de Republiek en de Gouden Eeuw, zoals het IJkpunt 1650, komt wetenschapsbeoefening nog altijd nauwelijks ter sprake. Iets voor een handjevol wiskundigen, landmeters en navigatiedeskundigen, aldus de heersende opvatting. Terwijl de passie voor natuurwetenschap juist onder brede lagen van de bevolking verspreid was.''

augustinus De gedachte van de natuur als tweede boek Gods is te vinden bij kerkvader Augustinus. In de Republiek stond ze expliciet vermeld in de gereformeerde geloofsbelijdenis van 1569: Wij kennen God door twee middelen. Ten eerste door de Schepping die `voor onse ooghen is als een schoon boeck, in welcke alle schepselen, groote ende cleyne, ghelijck als letteren zijn'. Daarnaast laat God zich `noch claerder ende volcomelijcker' kennen door Zijn `heylig ende Goddelijc woort'. Jorink: ``Ik ben begonnen met tamelijk lukraak materiaal op te vragen. Dat levert al snel verrassingen op. Bekende dominees uit de Gouden Eeuw blijken ook traktaten over het Boek der Natuur gepubliceerd te hebben. Hetzelfde geldt voor humanisten als Constantijn Huygens en Caspar Barlaeus. Als je al dat materiaal tamelijk blanco op je laat inwerken, dringt zich een patroon op. Het rationalisme, met Descartes als sleutelfiguur, blijkt lang niet zo bepalend als vaak wordt verkondigd. Het zijn eerder de opkomende bijbelkritiek, de exegese en de humanistische filologie die de veranderende opvattingen stuurden.''

Als voorbeeld noemt Jorink kometen. ``Dat waren aanvankelijk tekenen van de toorn Gods, terwijl ze verderop in de zeventiende eeuw Gods glorie uitdrukten. Die omslag, aldus de heersende opvatting, kon plaatsvinden toen Halley en Newton rond 1700 ontdekten dat komeetbanen aan natuurwetten gehoorzaamden. Die visie is volstrekt onhoudbaar, veeleer was het een intern theologisch debat. Het is de Utrechtse hoogleraar retorica en geschiedenis Johannes Graevius geweest die in 1665 de knuppel in het hoenderhok gooide. Nergens in de bijbel is expliciet sprake van kometen, stelde hij, hooguit gaat het om onheilstekenen aan de hemel. Wat van alles kon zijn, aldus Graevius, behalve iets bekends. Theologen in Utrecht nemen die visie over en zo konden kometen promoveren tot tekenen van Gods glorie. Van het fysische verklaringsmodel achter kometen hadden die theologen geen flauw benul, het interesseerde ze ook niet.''

Begin zeventiende eeuw overheerst de opvatting dat het Boek der Natuur gelezen moet worden aan de hand van de letterlijke tekst van de bijbel. Jorink: ``De Utrechtse theoloog Voetius, bekend van zijn afkeer van het cartesianisme, is de invloedrijkste vertolker van het standpunt van de bijbel als alfa en omega van natuurwetenschappelijke kennis, maar tot 1660 speelde dit biblicisme op alle terreinen van wetenschap een enorme rol. We moeten het Boek der Natuur lezen door een bijbelse bril, aldus een veelgeciteerde uitspraak van Calvijn. Dat impliceert een volkomen transparante en probleemloze bijbeltekst, een visie die in de loop van de zeventiende eeuw onder vuur komt te liggen. En dat kwam eerder door bijbelkritiek en filologie dan door de invloed van Descartes' rationalisme.''

De eenhoorn illustreert dit. Jorink: ``Iedereen gelooft in de zeventiende eeuw in het bestaan van dat beest. Waarom? Omdat de Statenbijbel acht vindplaatsen biedt. Dat gaat terug op de Griekse vertaling monokerotos en in de Hebreeuwse grondtekst van het Oude Testament staat acht keer re'em. De twijfel aan de eenhoorn groeide niet vanwege een toevloed aan ervaringsgegevens – mensen gaan de wereld rond en zien het beest nergens – maar werd aangewakkerd vanuit de filologie en bijbelkritiek. Die namen in de Republiek een hoge vlucht, de humanist Scaliger van de Leidse universiteit heeft enorm school gemaakt. In die traditie vraagt een geleerde als Johannes de Mey zich af of de vertaling wel klopt. De Griekse deugt, maar kijkend naar de allereerste Hebreeuwse brontekst, aldus De Mey, moet de conclusie luiden dat we de vertaling van re'em eenvoudig niet kennen en dat het ook een ander beest dan een eenhoorn kan zijn. Terzijde: ook hedendaagse bijbelvertalers komen er niet uit. De Willibrordvertaling komt met een bizon, de Groot Nieuws-vertaling heeft een buffel en weer een ander komt met woudos.''

Na 1660 raakt de band tussen Boek der natuur en bijbel doorgesneden. Het werk van Jan Swammerdam (over wie Jorink in de avonduren een biografie voorbereidt) is een goed voorbeeld. Jorink: ``In Swammerdams baanbrekende onderzoek ligt de nadruk niet langer op zinnebeeldige betekenissen – vlinders als symbool van de wederopstanding – naar gaat het om de orde en veelvormigheid van de wereld van de `bloedeloose dierkens'. Zijn Boek der Natuur is geen afgeleide van de bijbel maar een tweede openbaring Gods, los van de bijbeltekst. Niet bijbelse allegorieën verwijzen naar een hogere macht in het Boek der Natuur, maar orde en structuur, in het bijzonder die binnen de insectenwereld. Gods almacht zit hem in de anatomie van de allerkleinste wezentjes. Het design-argument dat in de achttiende eeuw sterk opkomt, is al bij Swammerdam nadrukkelijk aanwezig. Vaak is hij weggezet als een geïsoleerde zonderling maar dat is onterecht. Swammerdam kwam over de vloer bij de culturele elite en zijn invloed was zeer groot. Zijn Historia insectorum generalis is van 1669 en binnen tien jaar was iedereen in de Republiek met insecten bezig.''

vernuftelingenElke geschiedenis van de natuurwetenschap in Nederland begint met Stevin. ``Vanuit contemporain standpunt een marginale figuur'', zegt Jorink. ``Stevin gaat louter descriptief te werk en religieuze bespiegelingen zul je bij hem niet aantreffen. Pas later komt hij bovendrijven. Het bijbelse perspectief was in de zeventiende eeuw belangrijker dan de mathematische benadering van de vernuftelingen rond Stevin. Galilei's opmerking dat het boek der natuur in de wiskunde van driehoeken en cirkels is geschreven, speelt in de Gouden Eeuw geen rol. Ik heb niet één verwijzing naar die gedachte gevonden. Met die opvatting sloot Galilei bijna iedereen buiten en aantrekkelijk aan het Boek der Natuur was juist dat het toegankelijk was voor de leek.''

Kijkend door de bril van het Boek der Natuur ontstaat een ander beeld van de intellectuele cultuur van de Gouden Eeuw. Jorink: ``Allerhande predikanten, humanisten, natuuronderzoekers en liefhebbers vinden elkaar in natuurhistorie zonder elkaar in de haren te vliegen. Een neutraal, onbesmet terrein waar niet de rede bepalend is maar het observeren en beschrijven, en waar het leerstuk van het Boek der Natuur door iedereen gedeeld wordt. Natuurlijke historie was veel minder beladen dan natuurfilosofie, met zijn clashes om het materialisme, het goddeloze machine-denken van René Descartes en de nóg gevaarlijker ongodist Spinoza.''

De handelseditie van Jorinks proefschrift is in voorbereiding.