Het pleegmeisje (2)

In het laatste artikel over het pleegmeisje kwam ook ik als lid Raad van Bestuur van het betreffende Bureau jeugdzorg aan het woord. Omdat de reactie beperkter moest worden weergegeven dan mijn bedoeling was, plaats ik graag nog twee kanttekeningen.

Wat betreft de bewering dat er een plaats buiten een justitiële inrichting zou zijn kan ik kort zijn. Die is door onze medewerkers niet gevonden. Ook het RMPI, dat zegt plek te hebben, heeft geen plaats, omdat de plaats die zij hebben niet voldoet aan het noodzakelijke gesloten behandelklimaat. Op de langere termijn, wanneer jeugdigen voldoende vooruitgaan tijdens een meer gesloten behandeling, kan een dergelijke open plaats wel aangewezen zijn. Dit is ook zo met de behandelverantwoordelijke van het RMPI besproken.

Verder plaats ik een kanttekening bij de opmerking van Kamerlid Lambrechts (D66): `Jeugdzorg is blijkbaar godalmachtig'.

De wet geeft een instelling voor voogdij en gezinsvoogdij een bepaalde macht. Deze is het meest vergaand als er van een voogdijmaatregel sprake is. Dit omdat dan het wettelijke ouderlijke gezag ontbreekt en door een instelling als de onze wordt uitgeoefend. De Raad voor de Kinderbescherming heeft een toeziende taak en de kinderrechter kan als enige bepaalde beslissingen formeel bekrachtigen. Het gesloten plaatsen van een jeugdige is een voorbeeld van zo'n beslissing.

De uitspraak over de Jeugdzorg van mevrouw Lambrechts suggereert nog iets anders. Alsof onze medewerkers afstandelijk en ongeinteresseerd vanuit een almachtige positie kinderen en jeugdigen plaatsen, willekeurig en zoals het hun uitkomt.

De medewerkers van Jeugdzorg worden dagelijks geconfronteerd met schrijnende situaties van ouders en kinderen die niet kunnen voldoen aan de hoge verwachtingen en eisen die onze samenleving aan hen stelt. Medewerkers besteden heel veel zorg en moeite om binnen de beperkingen die er zijn oplossingen te vinden, een plaats te zoeken, zorgaanbieders om de tafel te krijgen, enzovoorts. In hun werk worden ze dagelijks geconfronteerd met de moeilijke situaties waarin het onmogelijke van ze verwacht wordt. Daarmee gaan veel gevoelens van onmacht gepaard, zoals men zich wellicht kan voorstellen.

In plaats van de almacht is sprake van onmacht. Dat een jeugdige zonder overtreding van de wet toch in een justitiële jeugdinrichting terechtkomt is een bewijs van onmacht. Onmacht, niet alleen van jeugdzorg, maar van ons allen.

De Wet op de Jeugdzorg is dankzij de onmacht (of almacht?) van de Haagse politiek na al die jaren nog steeds niet gerealiseerd. Er zijn nauwelijks gesloten behandelingsinstellingen voor jeugdigen buiten de justitiële instellingen om. Maar zelfs als die er zijn, dan zijn wij mensen nog niet van onze onmacht af, als was het alleen maar omdat niet elk probleem valt ,,weg te opvoeden'', noch door ouders noch door de jeugdzorg.