Het is tijd voor een linkse schoolstrijd, tegen de verzuiling

Van verschillende kanten is het bestaande schoolsysteem met zijn bijzondere onderwijs ter discussie gesteld. Politiek links heeft tot nu toe moeite gehad zijn standpunt te bepalen. Centraal in een tegenvoorstel moet zijn: voorkom de scheiding van bevolkingsgroepen.

De snelle groei van het aantal zwarte en islamscholen stelt het idee van Nederland zwaar op de proef.

Zwarte scholen vormen een barrière voor de openbare ontmoeting tussen kinderen van gevestigde Nederlanders en immigranten. Dit ondermijnt de sociale gelijkheid, zeker als kinderen het apartheidsgedrag van hun ouders overnemen.Islamscholen zijn een vorm van orthodox onderwijs die de achterstelling van vrouwen rechtvaardigt. Dit ondermijnt de persoonlijke vrijheid, zeker als de orthodoxie terrein gaat winnen in een moslimgemeenschap die groeit naar de 10 procent.

Beide schoolsoorten zijn in hoge mate een onbedoeld gevolg van niet-beslissingen van lokale en nationale autoriteiten, beslissingen van sommige woordvoerders van immigranten, en aanpassingen van talloze schoolbesturen. Het democratische zelfbestuur is hierdoor ondermijnd. Al vroeg in de jaren negentig kondigde deze ontregeling zich aan, en het is dan ook raadselachtig waarom de grote politieke partijen zo laat een nieuwe schoolstrijd ontketenen.

De discussie over deze scholen is aangezwengeld door de liberalen, onder aanvoering van VVD-fractieleider Van Aartsen, het Tweede-Kamerlid Ayaan Hirsi Ali (Opiniepagina 4 dec.) en de filosoof Herman Philipse (Opiniepagina 18 dec.). Zij vrezen een tribalisering van Nederland en komen min of meer uit bij een verbod op islamscholen.

Ik wil een socialistisch tegenvoorstel doen. Nederland staat voor enkele grote vragen op dit gebied:

Hoe moeten we omgaan met de politieke islam?

Houden we vast aan de oude consensuspolitiek?

Hoe krijgen we een doeltreffende leiding vanuit het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OC &W)?

Het eerste dilemma is de keuze tussen uitroeiing van de politieke islam als een fundamenteel antidemocratische beweging, of bevordering van een fundamentele democratisering van de islam in Arabische landen, in landen met een grote moslimbevolking (India, Indonesië) en ook in Europese landen met grote moslimminderheden.

Een deterministische stroom van deskundigen en politici meent dat de vrije ontwikkeling van de islam neerkomt op verbreiding van geweld, theocratie, onderdrukking van vrouwen en homoseksuelen, antisemitisme, stagnatie van de wetenschappen en wettelijke repressie. Een islamitische cultuur, in het bijzonder een Arabische cultuur, kan niet democratisch worden.

Deterministen als Fortuyn, Philipse en Hirsi Ali waarschuwen de weldenkende burgerij en haar nauwelijks op oorlog voorbereide vertegenwoordigers. Wees niet zo kinderlijk en laf! Het gaat bij de politieke islam om een primitieve moraal, die vroeg of laat met hypermoderne technieken de open samenleving overneemt en vernietigt!

Er is ook een voluntaristische stroom, die meent dat de seculiere en libertijnse traditie van de islam tot nieuwe bloei kan komen in een wisselwerking met democratisering van islamitische staten en verenigingen. Deze zienswijze wordt ondersteund door een in linkse kringen gezaghebbende instantie als het United Nations Development Program, met diens regelmatige rapportage over humane ontwikkeling van Arabische landen. Maar zij wordt ook uitgedragen door Amerikaanse vooruitgangsgelovigen, zoals president George W. Bush. In een rede voor de National Endowment for Democracy (Washington, 6 november 2003) keert hij zich tegen de ,,culturele neerbuigendheid'' van deterministen: ,,Het zou voor iedereen duidelijk moeten zijn dat de islam – het geloof van eenvijfde van de mensheid – kan samengaan met de democratie. Democratische vooruitgang wordt aangetroffen in vele overwegend moslimse landen – in Turkije en Indonesië, en Senegal en Albanië, Niger en Sierra Leone. Moslimmannen en -vrouwen zijn oppassende burgers in India en Zuid-Afrika, in de landen van West-Europa, en in de Verenigde Staten. Meer dan de helft van alle moslims in de wereld leeft in vrijheid onder democratisch gevormde regeringen. Zij hebben succes in democratische samenlevingen, niet ondanks maar wegens hun geloof. Een godsdienst die individuele morele aansprakelijkheid eist en die de ontmoeting van de enkeling met God aanmoedigt, is volledig verenigbaar met de rechten en verantwoordelijkheden van zelfbestuur.''

Ik meen dat links in Nederland op dit gewichtige punt de kant van Bush moet kiezen. Links dient uit te gaan van de haalbaarheid van een liberale reformatie van de islam, waarbij juist de leiders van geïntegreerde gemeenschappen van immigranten als voorhoedes zullen fungeren. Nuchtere kenners als Arkoun, Bouazza, Ellian en Tahir hebben er terecht op gewezen dat de Nederlandse islam tot dusverre geen enkele interessante intellectuele ontwikkeling in de genoemde richting vertoont.

Dit trieste feit noopt tot waakzaamheid. Maar het betekent niet dat we moeten berusten in een soort antidemocratische predestinatie van Nederlandse moslims. We moeten aan de ene kant elk extremisme, dus ook een religieus extremisme, de kop indrukken met de zwaardmacht van de staat. We moeten aan de andere kant de civiele strijd voor vernieuwing van de islam op Nederlandse bodem steunen langs een veelheid van wegen. Die strijd ontvlamt gelukkig zowel van buitenaf (Hirsi Ali, Arslan van Forum) als van binnenuit (Karacaer van de Noord-Nederlandse Milli Görüs).

Een tweede keuze die moet worden gemaakt, is die tussen politieke traditie en politieke vernieuwing in Nederland.

Volgens de consensusdenkers valt de democratische traditie in dit land samen met allerlei strategieën en gewoonten ten aanzien van verdraagzaamheid, onderhandeling, compromissen, schadeloosstellingen voor verliezers en bijzondere rechten voor minderheden. Deze consensuspolitiek heeft in het verleden een duurzame beslechting voortgebracht van weerbarstige conflicten tussen regio's, klassen, seksen en ideologische stromingen. De formidabele pacificatie van Nederland heeft zich in de meeste gevallen voltrokken zonder revolutie en ook zonder een sterk eenhoofdig gezag. Volgens de consensusdenkers bewijst de recente heruitvinding van het poldermodel dat deze Nederlandse traditie nog steeds veerkrachtig is. Zij willen het gevaarlijke geschil tussen wit en zwart in de Nederlandse steden aanpakken door de dialoog op te voeren.

De politieke vernieuwers in Nederland vinden dat dit model niet meer functioneert. Deze vernieuwers, die zijn vertegenwoordigd in alle gevestigde partijen en in nieuwe partijen als Leefbaar Nederland en de Lijst Pim Fortuyn, menen dat decennia lang is geprobeerd om een consensusmodel van migratie- en integratiebeleid handen en voeten te geven. Dit beleid is volgens hen mislukt. De achterstelling van niet-Westerse allochtonen, de desidentificatie van Turken en Marokkanen met Nederland, de cultuurverschillen, de verwijdering en vijandschap tussen gevestigde Nederlanders en nieuwkomers, en niet te vergeten de ontwrichting en onbestuurbaarheid van de grote steden, zijn allemaal stukken groter dan wat op grond van een functioneel consensusmodel jarenlang in het vooruitzicht was gesteld. Door deze mislukking van goede bedoelingen moeten Nederlandse staatslieden nu ernstig rekening houden met een scenario van etnisch-raciale onlusten, een quasi-Rotterdamse stagnatie van het hele openbare bestuur, en zelfs met een Haagse oprotpolitiek en een massale exodus naar de landen van herkomst.

Hier komt volgens de vernieuwers nog bij dat de consensuspolitiek alleen duurzaam doorbroken kan worden via een hervorming van het Nederlandse politieke stelsel. Men wil een duidelijke meerderheid aan de macht, met een linkse of rechtse kleur, gekozen gezagsdragers en een ongeremde partijenstrijd.

Ik ben het globaal eens met de diagnose van de denkers achter de nieuwe politiek, maar ik zoek de remedie toch bij de politiek van de consensusdenkers. Het is waar dat de doctrine ,,integratie met behoud van identiteit'' een noodlottige keten van fouten en misverstanden heeft gesmeed. Maar het is ook waar dat sinds enkele jaren het democratisch gehalte van het debat inzake deze sociale kwestie is gestegen, dat de wetgeving op immigratie, integratie en uitzetting is gerationaliseerd (nieuwe vreemdelingenwet en inburgeringswet) en dat ontevreden ingezetenen hun stem laten horen terwijl de mondigheid van immigranten economisch, cultureel en politiek is toegenomen. Hieruit leid ik af dat de consensuspolitiek nog niet dood is. Voor een waarachtige pacificatie tussen wit en zwart is vooral een zorgvuldige naleving van haar spelregels nodig.

In de toekomst dient links haar energie niet te steken in blinde verdediging van het oude multiculturalisme of in een haastige stelselwijziging, maar in de vormgeving van evenredige invloed tussen witte en zwarte elites en achterbannen. Om het integratietekort van immigranten op te heffen, is het nodig dat zij toetreden tot Nederlandse partijen van hun keuze. En wel als kiezers en als gekozenen. Daarnaast dienen overheden hun integratiebeleid, waaronder onderwijsbeleid, mede te baseren op vast en wettelijk omlijnd overleg met de leiders van verenigingen van vredelievende, representatieve immigranten. Op dit vlak is er nog een wereld te winnen, zoals blijkt uit de kritische terugblik van de commissie-Blok en de ondoorzichtige totstandkoming van een nieuw adviesorgaan van de rijksoverheid voor allerlei moslimverbanden.

Vernieuwingsdenkers zoals Hirsi Ali bepleiten een conflictmodel. Ze willen een scherpe scheiding tussen staat en religie (een beetje Franse laïcité) en een harde uitvoering van de wil van de meerderheid (een beetje Britse majority rule). Maar dit leidt uiteindelijk tot een heilloze polarisatie. Het conflictmodel zou een ordeloosheid losmaken op het kleine en kwetsbare Nederlandse grondgebied met zijn tweede natuur van tolerantie, wilsovereenstemming en ruwe machtsgelijkheid tussen minderheden.

Een derde essentiële keuze is die tussen bestuurlijke onderwijspolitiek en culturele onderwijspolitiek.

Bestuurlijke onderwijspolitiek richt zich op de organisatie en financiering van de scholen. Zij staat in het teken van begrotingsbeleid en zeggenschap van beroepsgroepen. Culturele onderwijspolitiek richt zich op de idealen van het leren, de spreiding van kennis, en de goede omgang tussen leraren en leerlingen. Hoewel een culturele politiek het gevaar van dirigisme in zich draagt, acht ik dit gevaar kleiner dan de bestuurlijke politiek, de oorzaak van de huidige demoralisering en destructie van het onderwijsveld. Het is door de bestuurlijke politiek dat het openbare onderwijs op dit moment zo'n beroerde reputatie heeft.

Het zal duidelijk zijn dat ik de nieuwe PvdA-leider Bos steun in zijn stuksgewijze herformulering van een onderwijskundig beschavingsoffensief. De vorming van menselijk kapitaal voor de nieuwe kennismaatschappij dient te worden aangevuld met andere prioriteiten: planmatige opheffing van de achterstand van Nederlandse immigranten (waaronder scheiding tussen scholen voor kinderen die met hun handen willen werken en scholen voor kinderen met gedragsstoornissen) en planmatige verbetering van het onderwijs in de Nederlandse taal, over de vaderlandse geschiedenis en over de plaats van ons land binnen de Europese Unie, de internationale orde en het wereldsysteem.

Uit deze algemene overwegingen volgt een voorstel dat ik ten behoeve van het betoog zal weergeven in de gebiedende wijs. Links dient campagne te voeren om de scheiding van bevolkingsgroepen in het onderwijs tegen te gaan. Te denken valt aan aanmoediging van inschrijvende ouders uit alle lagen, bouw van extra openbare scholen in de buurt, toewijzing van ondernemende docenten en een subsidiëring waarbij gemengde scholen meer geld krijgen dan zwarte scholen en zwarte scholen meer geld dan witte.

Links dient een filosofie van het publieke domein uit te dragen die op de scholen concreet wordt toegepast ten aanzien van de taal, de kleding, de gedragscode en de godsdienstige plichten. De taal in het lokaal en op het plein is Nederlands. Voor het openbaar onderwijs disfunctionele kledij (zoals de sluier) wordt verboden. De gedragscode beschrijft de vereisten van fatsoen en samenwerking tussen docenten, pupillen en ouders. En de godsdienstplichten van minderheden betreffen enkel bepaalde buitenschoolse activiteiten (géén gebedsruimten en gebedsuren dus). Strenge publieke scholen – of strenge gemeenten – mogen de hoofddoek verbieden op één lijn met een verbod op alle hoofddeksels dan wel alle religieuze symbolen, zoals orthodoxe bijzondere scholen de toegang van kinderen van immigranten mogen reguleren.

Links dient alles op alles te zetten om verdere sluiting van verkleurende scholen te stoppen en een keerpunt van toenemende, zichzelf versterkende vermenging te forceren. Te denken valt aan ontmoediging van uitschrijving door welgestelden en getalenteerden; gecoördineerde beheersing van mobiliteit van leerlingen in de jurisdictie van gemeenten; alsmede onder- en bovengrenzen ten aanzien van de etnische samenstelling van de scholen.

Links dient pal te staan voor de vrijheid van godsdienst en vereniging van minderheden en enkelingen, maar zij benoemt wel de binding die hieruit volgt. De plicht van trouw aan de grondwet, een acceptatieplicht (met uitzondering van orthodoxe scholen) en de plicht van Nederlandse financiering en sturing. Links dient het bijzonder onderwijs van oudsher (protestants, katholiek) en het bijzondere onderwijs van nieuwe groepen immigranten zoveel mogelijk op voet van gelijkwaardigheid te behandelen. Vergunningen, geboden, verboden en inspecties worden dan overeenkomstig.

Het laatste onderdeel van mijn voorstel is algemener te stellen. Links moet zich keren tegen de vorming van parallelle samenlevingen, rechtsstelsels en verzorgingsstaten in de Nederlandse samenleving. Een toekomstige islamzuil zou mede een reactie zijn op het falen van de ook door links onderschreven koers van democratische insluiting van (legale) immigranten. Maar de belangrijkste reden voor een links protest is dat deze verzuiling niet tot de pacificatie, natievorming en emancipatie zal leiden zoals die zich destijds wel heeft voltrokken bij de klassiek geworden verzuiling van katholieken, kleine luiden en arbeiders.

Daarom moet de verzuiling van immigranten worden voorkomen. Een islamitische zuil kan alleen maar leiden tot polarisatie tussen alle nieuwkomers en de gevestigde Nederlanders. Het zal het vreemdelingbewustzijn onder de betrokken nieuwkomers bestendigen tot ver in de tweede en derde generatie en het potentieel van progressieve hervormers binnen de gemeenschappen van immigranten verzwakken.

De socialisten van de SDAP waren tegen de verzuiling, die zij volgens de historicus De Rooy ,,zagen als een heilloze vermenging van politiek en levensovertuiging, zo niet als resultaat van gewetensdwang van predikanten en priesters''. Wel zagen deze socialisten zich genoodzaakt de organisatiemethode van verzuiling over te nemen om hun doeltreffendheid in de landelijke politiek te vergroten.

De ontzuilde sociaal-democraten van de PvdA anno 2004 dienen gewetensdwang onder nieuwkomers te verwerpen en daarom mee te doen aan een schoolstrijd die door anderen is begonnen.

Is hoogleraar politieke theorie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij geldt als een van de ideologen van de Partij van de Arbeid.