Het failliet van het VMBO

De bedoeling was dat de problemen van het vbo zouden worden verdund door de fusie met de mavo. De problemen zijn juist verspreid. Maar aparte opvang voor lastige leerlingen is ook geen oplossing.

SCHIETINCIDENTEN als op het Terra College of, een paar jaar geleden, in Veghel zijn kennelijk nodig om ervoor te zorgen dat het thema geweld op school onder de aandacht komt. Voorlopig zal dat ook wel zo blijven. Want de dood van Van Wieren zal er toe leiden dat leraren die dreigingen melden, serieus genomen gaan worden.

En dat is hard nodig, want al sinds jaar en dag stellen directies zich veel te lankmoedig op als leraren hierover klagen. Een voorbeeld. Een lerares van wie leerlingen vermoeden dat ze lesbisch is, wordt door enkele meisjes aangeklaagd wegens ongewenste intimiteiten. Ze wordt hangende het politieonderzoek geschorst. Uiteindelijk blijkt het te gaan om een geplande wraakactie van enkele meisjes vanwege een laag cijfer. De lerares kan terugkomen. De directie vindt dat ze die leerlingen weer in de klas moet dulden, want daar hoor je als volwassene toch boven te staan. `Ze hebben toch hun excuses aangeboden?' Ik zou zeggen, die lerares die door een hel is gegaan, hoeft die leerlingen nooit meer te zien. Ook niet op het schoolplein. Dit voorbeeld illustreert hoe weinig oog directeuren vaak hebben voor de emotionele en fysieke spankracht van hun docenten. Het is niet voor niks dat het merendeel van de beginnende docenten al binnen korte tijd weer afhaakt.

oorzaken

Een tweede effect van de aandacht voor het geweld tegen leraren zal zijn dat men oog krijgt voor de onderliggende oorzaken, zich de vraag zal stellen: hoe heeft het zover kunnen komen?

Hoezeer politieke correctelingen ons ook anders willen doen geloven: de problemen doen zich vooral voor in de onderkant van het schoolsysteem. Wat is daar gebeurd? Voor die onderste regionen van ons onderwijs is altijd maar weinig aandacht – waarschijnlijk omdat Kamerleden, beleidsmakers, noch opinieleiders hun kinderen daar op school hebben.

Na de oorlog hebben we de leerplichtige leeftijd stukje bij beetje verhoogd tot het huidige niveau van 16 jaar voltijds en daarna, tot de leeftijd van 18 jaar, één of twee dagen per week. Die leeftijd werd verhoogd om ervoor te zorgen dat iedereen een brede algemene vorming zou krijgen. De ambachtsschool werd voorbereidend beroepsonderwijs en leverde niet langer een ambachtsman af, maar een man (m/v) die naast de lessen in Nederlands, vreemde talen, aardrijkskunde en geschiedenis ook een paar uur in de week had mogen ruiken aan algemeen technische zaken. De ambachtsschool maakte het in het verleden mogelijk voor zwakke leerlingen om, na jarenlang vruchteloos worstelen met d's en dt's, zelfbewustzijn te ontwikkelen door succesvol te timmeren of te lassen. Na de opheffing van de ambachtsschool werden zij ertoe verplicht ook na de lagere school die vruchteloze worsteling nog een aantal jaren voort te zetten. Wie dit probleem durfde aanroeren, maakte zich verdacht, want het was reactionair weer terug te willen naar de ambachtsschool. Tegelijk met deze zogeheten mavoïsering van het lager beroepsonderwijs, deed zich een andere ontwikkeling voor, namelijk een spectaculaire daling van de leerlingenaantallen in het voortgezet onderwijs. Van 615 duizend leerlingen in 1975 naar 428 duizend in 1995, in twintig jaar dus een afname met 30 procent. Die terugloop is vooral gegaan ten koste van het vbo en in mindere mate van de mavo's.

Daardoor is het aandeel van alle leerlingen dat naar het vbo ging, gezakt. Van dat steeds kleiner aantal leerlingen bestond een steeds groter deel uit leerlingen die geclassificeerd waren als ivbo-leerlingen. Die i staat voor individueel en daarbij gaat het om leerlingen die om wat voor redenen dan ook een individuele behandeling vergden. Leerlingen dus met problemen als ernstige leerstoornissen, gedragsproblemen, taalachterstanden of crimineel gedrag. De overheid had, toen duidelijk was dat veel vbo-scholen waren geworden tot een vergaarbak van probleemgevallen, moeten besluiten tot een gerichte aanpak door die vergaarbak uit te splitsen naar de aard van de problemen, om die leerlingen vervolgens in kleine schooltjes een aangepaste begeleiding of behandeling te geven. Dat kost geld, veel geld, maar de kosten daarvan vallen in het niet bij wat die leerlingen de maatschappij op termijn gaan kosten.

Gekozen is voor een andere oplossing. Het vbo werd samengevoegd met de mavo, met ongeveer 40% van alle leerlingen toen het omvangrijkste schooltype. Daarmee werden de problemen verdund, ze zouden ondersneeuwen in de massa, zo was de bedoeling. Maar zo werkt dat niet, zo weet iedereen die ervaring heeft met het werken met groepen. Integendeel. Daarmee kunnen de problemen zich juist uitzaaien.

Bij dat besluit om het vbo te laten opgaan in grote scholen voor vmbo speelt nog een ander misverstand. Schaalvergroting wordt altijd maar weer verdedigd met het argument dat scholen dan mensen kunnen aantrekken met specialistische kennis, psychologen bij voorbeeld. Het belang van specialisten wordt daarmee schromelijk overschat. Een warme, betrokken omgeving is oneindig veel belangrijker dan een kantoortje met spreekuren van een psycholoog in een massale, anonieme omgeving. Maar ja, die propagandisten van schaalvergroting hebben zo hun eigen belangen en zoeken naar argumenten.

aparte centra

Als een leerling op een school voor havo of vwo weigert zich in te spannen, krijgt die het consigne zijn heil elders te zoeken. Niemand zegt tegen de school: hij kan het in principe wel, dus hij hoort bij u op school thuis. Nee, die leerling komt uiteindelijk terecht in het vmbo, waar hij in wezen nog minder thuis hoort, en bepaald niet minder problemen geeft. Rotterdamse schoolleiders bepleiten aparte centra voor lastige leerlingen, want zij zien de sfeer op hun school verpest door leerlingen die niet willen. Het is schandelijk dat scholen worden gedwongen leerlingen onderdak te bieden die het de school onmogelijk maken haar taken naar behoren uit te voeren. Daar moeten dus oplossingen voor komen. Niet door die leerlingen als lastig te kwalificeren en ze in strenge opvangcentra bij elkaar te zetten, maar door ze de begeleiding en behandeling te geven die ze nodig hebben.

Leo Prick is columnist in de bijlage W&O en leidde tot voor kort het onderwijsadviesbureau Intervu.