`Elke dag rijst met pindasaus'

Geen land waar de militaire inzet van kindsoldaten zo wijdverbreid is als in het nietige West-Afrikaanse land Liberia. Misschien wel 70 procent van de in totaal 38.000 tot 48.000 strijders, zeggen hulporganisaties.

Zojuist hebben ze zich nog voorbeeldig gedragen op de bezinningsbijeenkomst waarmee de Liberiaanse organisatie Samaritan's Purse het dagprogramma in dit opvangcentrum voor vrouwelijke kindsoldaten in Monrovia elke dag begint. Ze hebben braaf geknikt toen projectleider Thomas Jeffrey zei dat ze er 's nachts niet vandoor mogen gaan naar hun vriendjes, elkaar niet mogen aftuigen en de buurt geen overlast mogen bezorgen. Hij vertelde wat de bijbel leert over discipline, dat dit woord komt van discipel en dat wangedrag natuurlijk gecorrigeerd moet worden. ,,Omdat we van jullie houden en willen dat je je gedraagt als je terugkeert in de maatschappij.'' Ze hebben zelfs met bijval gereageerd.

Maar zonder aanwijsbare reden is de stemming plotseling omgeslagen. Ze maken amok bij de poort. Een van hen belet de vertrekkende auto de doorgang. `Pirate Bunny' staat er op haar T-shirt en haar ogen staan op enteren. Een tweede richt een stuk hout als een kalasjnikov op de voorruit, voordat ze er in een razendsnelle actie mee op het dak ramt. Even zijn de meisjes weer de furies die ze in de oorlog zijn geweest.

Oorlog was kinderspel voor de kindsoldaten. Ze konden lezen noch schrijven, maar ze wisten wel hoe ze een AK-47 uit elkaar moesten halen en weer in elkaar moesten zetten. Ze genoten van het geluid van hun geweer. Ze voelden zich uitverkoren. Gewaardeerd en gerespecteerd. Van hun commandanten hadden ze klinkende namen gekregen als Desperate Kiddo, Bush Killer en Soul Terminator. Ze werden uitgestuurd op speciale missies. Omdat ze vreesloos en volgzaam waren. En dodelijk.

Als ze 12 jaar oud waren mochten ze zich algauw majoor noemen of zelfs generaal. Ze eisten `belasting' van de bevolking. Ze hoefden niet te vragen. Of het nou om rijst, of een horloge of een vrouw ging, met geweld kregen ze het allemaal.

Volgens hele voorzichtige cijfers van de internationale hulporganisatie Save the Children vechten er meer dan 300.000 kindsoldaten, verspreid over 85 landen. Geen land waar de militaire inzet van kinderen onder de 18 jaar zo wijdverbreid is als in het nietige Liberia met zijn 3,2 miljoen inwoners. Misschien wel 70 procent van de in totaal 38.000 tot 48.000 strijders, zeggen hulporganisaties. Twaalfduizend minimaal.

Alle partijen die bij de twee burgeroorlogen betrokken waren – van 1989 tot 1996, van 2000 tot augustus vorig jaar – hebben zich bediend van kinderen. Regeringsleger, rebellen en milities. Omdat ze zo makkelijk te rekruteren en te programmeren waren. Ze waren ook zo goedkoop in het onderhoud. Ze moordden en pakten alles wat ze pakken konden om dat tegen een spotprijs te verkopen. Het waren nietsontziende vernietigingsmachines. Het zijn ook getekende kinderen die door machts- en geld-beluste struikrovers werden misbruikt.

Praten met de jongens in het nieuwe opvangcentrum van Save the Children in de wijk Paynesville valt niet mee. Allereerst zijn er de strenge gedragsregels van het VN-kinderfonds Unicef waar een journalist zich in het contact met de kinderen aan moet houden. Nooit de echte naam vermelden. Gevoelige vragen vermijden. Zeker niet naar gruweldaden informeren. Verder is het Liberiaans-Engels van de jongens door de vele inheemse woorden en klanken vrijwel onverstaanbaar.

Een leidster fungeert als tolk. De gesprekken vinden, heel Afrikaans, onder een boom plaats. Een voor een vertellen de jongens wat een geweldige tijd ze hebben gehad. ,,Elke dag rijst met pindasaus'', zegt de 14-jarige Flo met een brede grijnslach.. ,,Soms palmwijn en marihuana'', zegt Peter. Als ze over hun verkrachtingen beginnen, grijpt een leidster in.

Sommigen zijn door de regeringsmilities uit school geplukt en meegenomen. Ze hadden geen keus. Anderen hebben zich vrijwillig aangesloten omdat ze de armoe thuis beu waren of een vermoorde broer wilden wreken. Soms moesten ze eerst iemand executeren om te laten zien dat ze geen last hadden van een zwakke maag.

Wat de kinderen niet vertellen, laten hun tekeningen zien. Kogelregens. Kameraden die armen of benen verloren. Inferno's van geweld. Op hetzelfde blad een toekomstfantasie die ze allemaal gemeen lijken te hebben: een eigen huis, met erf. Soms een bijbel of voetbal erbij.

De 17-jarige George moet niks hebben van opvang. Hij scharrelt zijn kostje wel zelf bij elkaar in de wijk Congotown. Zijn geweer heeft hij begraven, zegt hij. In de eerste burgeroorlog heeft hij in de beruchte Small Boys Unit van oud-president Charles Taylor gevochten. Toen zou er ook worden ontwapend, gedemobiliseerd, gerehabiliteerd en geïntegreerd. Daar is weinig van terechtgekomen.

Sindsdien heeft George vier van zijn vrienden verloren: Mack, James, Pete en Kolo. Zelf is hij er nog genadig afgekomen. Hij laat de littekens op zijn schouder en zijn bovenbeen zien. En nu hebben ze het weer over ontwapening en terugkeer in de samenleving. Hij moet het eerst nog zien..

Wat zou hij zich graag ergens vestigen, en zaakje beginnen, een gezin stichten. Maar daar gelooft hij niet meer in. ,,Ik voel me oud'', zegt hij gelaten, ,,zonder ooit jong te zijn geweest.''