Een wereldburger is weer thuis

In zijn tweede wedstrijd voor ADO Den Haag speelt de naar Nederland teruggekeerde Tarik Oulida (30) morgen tegen zijn oude club Ajax. ,,Voor het geld hoef ik het misschien niet meer te doen. Maar ik ben een liefhebber, hè.''

Na heel wat omzwervingen is Tarik Oulida weer thuis. Terug in Amsterdam waar hij opgroeide en nu een appartement heeft. Terug in het Nederlandse voetbal. Niet bij Ajax, waar hij zijn opleiding genoot, maar bij ADO Den Haag dat de sierlijke middenvelder met Marokkaanse ouders dankbaar binnenhaalde. Oulida moet wennen aan zijn vaderland. Er is in achteneenhalf jaar heel wat veranderd, zo heeft hij ervaren. Zelfs in `zijn' stad kan hij z'n draai nog niet helemaal vinden.

Hij is gerijpt als mens. Spreekt inmiddels Spaans, Portugees, Frans, Engels, Arabisch en een beetje Japans. ,,Ik kan altijd nog talendocent worden'', grinnikt hij. ,,Ik heb een LOI-cursus Spaans aangevraagd.'' Hij schrok van `die roteuro'. ,,Plotseling moet ik twee keer zoveel verdienen om hetzelfde te kunnen uitgeven.'' En ook de integratieproblemen van buitenlanders zijn hem niet ontgaan. Hij kan zich voorstellen wat er momenteel speelt.

Oulida groeide op in Amsterdam-Slotermeer. ,,Er zijn geleidelijk meer Marokkanen gekomen. Er waren altijd wel wat problemen. Nu is het erg uit de hand aan het lopen. Het is de frustratie van de jeugd. Dat het niet gaat zoals ze ooit hadden gehoopt. De jongeren hebben geen toekomstbeeld. En daarin worden ze niet echt gesteund door hun ouders. Die bemoeien zich te weinig met hun kinderen. Ze komen ook uit een heel andere wereld, de cultuurverschillen zijn te groot. Soms zijn het analfabeten.''

Als wereldburger die woonde en werkte in Spanje, Japan en Frankrijk ervoer Oulida dat de tolerantie in Nederland relatief groot is. ,,Dat hoor je overal. Maar dit aspect is eerder een nadeel voor Marokkaanse ouders. Ze moeten de touwtjes nog strakker aantrekken in de opvoeding van hun kinderen. Ook bij de jongeren zelf komt er meer druk op de schouders.'' Het grote aantal groepen allochtonen, maakt het probleem extra complex, weet Oulida. ,,Je krijgt al gauw groepjesvorming. Buitenlandse jongeren trekken naar elkaar toe. Als er dan iemand een keer Marokkaans of Turks praat en de leraar vindt dat niet goed, ontstaat de eerste wrijving.''

Het neemt allemaal niet weg dat Oulida de excessen die steeds vaker optreden absoluut afkeurt. Zelfs het excuus `te veel temperament' wil hij niet horen. ,,Onzin. Mijn vader zei altijd: `Als je hier komt moet je werken. Als je niet wilt werken moet je weggaan'. Sommige buitenlanders pakken hier een uitkering, hebben er nog een klein baantje bij en komen zo makkelijk rond. Met dat geld gaan ze in hun vaderland de koning spelen. Daar waar de levensstandaard veel lager is en het geld soms twee keer zoveel waard. De Marokkanen zien in Marokko dat de Europeanen met geld smijten als ze op vakantie in hun land komen. Daardoor krijgen ze een verkeerd beeld van hoe het er hier aan toegaat. Om het paradijs te bereiken zwemmen ze zelfs van Marokko naar Spanje. Maar uiteindelijk is het toch zo dat je overal gewoon keihard moet werken.''

De oplossing van de problemen ligt volgens de voetballer vooral bij de ouders. ,,Mijn vader hield me vroeger kort. Ik moest trainen én m'n school afmaken. Daarna moest ik direct thuiskomen. Als ik eens ergens wilde blijven slapen, ging dat mooi niet door. Je hebt zelfdiscipline nodig om wat te bereiken. In dat opzicht kreeg ik bij Ajax een extra opvoeding. Als je je daar niet goed gedraagt, lig je er uit.''

Voetbal betekende alles voor Oulida. Zijn talent werd bij Ajax vroeg onderkend. Als eerstejaars A-junior werd de linksbenige technicus overgeheveld naar het tweede team van Gerard van der Lem. Maar de voortzetting, doorstroming naar het A-elftal, bleef ondanks zijn kwaliteiten beperkt tot enkele optredens. Het meest memorabel was de wedstrijd in de Champions League tegen AEK Athene. Volgens de anekdote had Van Gaal voor dat duel twee spelers nodig uit het tweede team. Van der Lem adviseerde maandag na de wedstrijd van het B-elftal John van den Brom en linkshalf Oulida te nemen. Martijn Reuser werd gepasseerd en reageerde woedend. Hij speelde immers al weken de sterren van de hemel in het tweede. Vervolgens scoorde Oulida tegen AEK twee keer.

Maar Van Gaal zag het niet in hem zitten. ,,Hij wilde op de halfposities fysiek sterke jongens. Spelers met diepgang. Of dat nodig was? Ach, Arnold Mühren was ook geen loopwonder en toch een aardige voetballer, niet? Ik speelde tweeënhalf jaar in het B-team en heb als 21-jarige op een gegeven moment voor mezelf de keuze gemaakt weg te gaan.''

Dat hij een protégé was van Cruijff (,,een speler als Oulida moet altijd worden opgesteld'') hielp op dat moment weinig. Werkte misschien zelfs eerder in zijn nadeel. ,,Spelers kunnen soms het slachtoffer worden van vetes die coaches uitvechten. Toen Van Gaal bij Barcelona kwam, moesten Dani en De la Peña vertrekken. Is De la Peña slechter dan Xavi? Nee, maar hij was een speler waarin Cruijff het zag zitten. Ik begrijp niets van dit soort zaken. De commotie over de aanstelling van Van Gaal als technisch directeur bij Ajax evenmin. Ik heb overigens nooit contact met Cruijff gehad. Hij kent mij alleen omdat ik in de jeugd samen met Jordi heb gespeeld. Misschien werd mijn naam steeds met Cruijff in verband gebracht omdat ik toevallig nummer 14 droeg.''

Bij het Spaanse Sevilla, waar hij drie jaar onder contract stond, werd Oulida meteen door de wol geverfd. ,,Sportief was die periode niet veel, wat betreft ervaring wel. Ik ben er alleen naar toe gegaan. Ik kwam meteen in het diepe terecht. De club had veel problemen, was voor het eerst sinds vijftig jaar gedegradeerd. In een tijdsbestek van een jaar maakte ik vier, vijf trainers mee en drie presidenten. Ik kreeg een kruisbandblessure aan mijn knie en raakte acht maanden uit de roulatie. Ik had het geluk dat er toen nog maximaal drie buitenlanders per team waren toegestaan, anders hadden ze voor mij zo een ander aangetrokken. Nu kon ik zonder druk rustig revalideren.''

Maar een langer verblijf in de Spaanse tweede divisie dan nodig was, zag Oulida niet zitten. Een jaar voor zijn contract afliep maakte hij de overstap naar het Japanse Nagoya Grampus Eight. ,,Ik had het nationale team van Japan een beetje gevolgd op het WK van 1998 in Frankrijk. Ik was onder de indruk van hun snelle, technische voetbal. Ik kon een tweejarig contract tekenen dat vervolgens per jaar zou worden verlengd. Zo werken ze daar. Als je een half jaar matig presteert zeggen ze: `Dank je wel, hier is de rest van je salaris, tot ziens'. Als die Japanners lachen, denk je: Het zal wel goed zitten, maar dat hoeft helemaal niet. Voor hetzelfde geld sta je een week later op straat. Als speler of als trainer. Ik werd daar aardig gewaardeerd. Ik was zelfs een paar wedstrijden aanvoerder. Heel wat voor een buitenlander.''

Ondanks zijn ervaringen bij Sevilla en het feit dat hij zich inmiddels de Spaanse en Portugese taal had eigen gemaakt – wel handig met een Braziliaanse trainer – moest Oulida ook in Japan aanvankelijk acclimatiseren. ,,Toen ik daar kwam was het hartje zomer. Warm, 36 graden en een hoge luchtvochtigheid. Nagoya is een stad van zes miljoen inwoners. Waar ben ik in beland, vroeg ik me af. Ik heb me daar kapot getraind. Misschien ben ik daarom nu nog zo fit. 's Maandags werd er altijd in groepjes aan looptraining gedaan. Met hartslagmeters en op tijd. Ze wisten altijd: Tarik kan goed lopen, die zetten we in groep één met vier loopwonders.''

Oulida draaide met Nagoya voortdurend mee in de top van de J-League, maar behaalde nooit de titel. ,,Ik speelde op het middenveld samen met de Joegoslaaf Dragan Stoikovic. Een echte nummer 10. Hij was 32, maar nog heel fit. Zoals hij speelde was ongelooflijk. Je kon altijd de bal aan hem kwijt. Precies op tijd kreeg je 'm weer terug. We hadden in de Braziliaan Wesley ook een topspits.''

De Japanse profcompetitie heeft echter niet meer de uitstraling van de beginperiode, ontdekte Oulida. ,,Echte grote namen zijn er niet meer. De goede Japanse spelers gaan naar het buitenland. Dat stimuleert de bondscoach ook. Voor het geld hoeven ze het niet te doen, voor hun ontwikkeling wel. In Europa wordt veel slimmer gespeeld. De Japanse topclubs steken hun geld vooral in middenvelders en spitsen, maar ze zouden beter goede verdedigers kunnen aantrekken die voor een gedegen opbouw kunnen zorgen. Maar ach, waar ik ook kwam in het buitenland, goed positiespel heb ik zelden meegemaakt. De bal wordt naar voren getrapt naar de spits en die zoekt het verder maar uit.''

In Japan was Oulida inmiddels getrouwd. ,,Je kunt er als voetballer niet alleen heen. Dan ga je kapot. Ik heb spelers huilend naar huis zien gaan, zoals de Belg Lorenzo Staelens. Die trok het niet meer. Sommige voetballers denken dat ze daar nog even makkelijk geld kunnen verdienen. Dan zeg ik: `Ga maar kijken hoe het is.'' Buiten het voetbal probeerde Oulida in Japan nog wat cultuur op te snuiven. ,,Ik heb de tempels bezocht van Kyoto. En ik ben in Hiroshima geweest. Het museum van de atoombom moet je gezien hebben.''

Na vier jaar Japan bracht een Japanse makelaar Oulida naar Sedan in Frankrijk. ,,Overal waar ik kwam moest ik een contract afdwingen in proefwedstrijden. Bij Sedan was ik in die duels een van de betere. Trainer Stambouli hield van technische spelers en wilde me graag hebben. De voorzitter niet. De competitie begon en we moesten tegen Olympique Lyon. `Luister Tarik', zei Stambouli, `ik ga je niet opstellen, want als we verliezen krijg jij de schuld'. Laat Sedan nou met 6-1 de boot ingaan. Daarna heb ik tot februari alle wedstrijden gespeeld tot de trainer werd ontslagen. Toen zat ik van de ene op de andere dag op de tribune. Niemand begreep het. De rest van het seizoen speelde ik dan weer wel, dan weer niet. De puissant rijke clubpresident Urano, een Franse Italiaan die in de wegenbouw zit, bepaalt bij Sedan alles. Hij heeft een trainingscomplex laten bouwen rondom een oud kasteel. De ene keer rende hij tierend de kleedkamer binnen, de andere keer kwam hij opgetogen een driedubbele premie uitdelen.''

Maar toen zijn voormalige trainer van Nagoya hem vroeg terug te keren naar Japan, ging Oulida nog een keer voor een avontuur naar Sapporo. Dat eindigde vorig jaar. Hij vond het tijd om naar huis te gaan, al sluit hij niet uit dat hij nog eens emigreert naar een warm land. ,,Marokko? Omdat mijn vader een huis heeft in Casablanca? Ik heb niet zoveel met dat land. Nee, eerder Spanje.''

Vooralsnog zal hij met ADO Den Haag proberen in de eredivisie te blijven. Om te beginnen wacht morgen Ajax in de Arena waar hij nooit heeft gespeeld. ,,Ik laat het op me afkomen, ik heb al zoveel meegemaakt. Ik ben bij Ajax niet met problemen weggegaan. Ik zie wel hoe het publiek reageert. Alles is anders. De sfeer van De Meer en het Olympisch Stadion is er niet meer. We zullen bij ADO hard moeten werken om in de eredivisie te blijven. Deze club heeft me vroeger ook wel getrokken. Voor het geld hoef ik het misschien niet meer te doen, maar ik ben een liefhebber hè.''