Brielle - Spijkenisse

Joyce Roodnat wandelt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week in de Rijnmond.

Die buitenmaatse vierkante kerktoren met zijn hooggerekte ramen naast die slanke witte spits – achter de vestingmuren spelen ze de heer en meester over het oude Brielle. Ze lokken, de poort is open, wij zijn de watergeus. Meent man. Hij tuurt door de stadspoort: ,,We kunnen wel heel even er in lopen.''

,,Nee. Ik wil wandelen.''

Want het waait en ik heb het koud en het is al bijna middag en dat is jammer aangezien het licht juist 's morgens zo mooi is.

Licht? Welk licht? Het wolken kordon laat dat licht maar moeizaam door en geeft nauwelijks gelegenheid tot het onderscheiden van details. Dat de groentenakkers en de weides eindig zijn, blijkt uit de elzen- en wilgenhagen eromheen, niet omdat je dat kunt zien. Vanwege de hier-en-daar-regen heeft een zorgzame boer wat kippen laten schuilen in een konijnenhok, zo'n schuin, verplaatsbaar geval maar met wanden van glas in plaats van gaas. De konijnen in hun wit-zwarte bontjassen doen druk aan de ene kant, de haan en zijn harem houden, dicht opeen gepakt, zo'n tien centimeter afstand. Maar het zijn dan ook zijn raskipjes, joffers met een wufte veren toque op hun kop.

In elk gemoedelijk dorp een volgende enorme kerk passerend, word ik warm. We volgen het water en belopen paden van asfalt of van modder. Daartussen zit niets en voor beide is veel te zeggen. Asfalt klinkt lekker en beantwoordt elke stap met een duwtje; modder glijdt prettig en laat de heupen scharnieren.

De regen is drup geworden, de wind legt zich bij de feiten neer. Omdat de korte golven van de Brielse Meer verschieten van bruinig naar plaatstaal-blauw, kijk ik om: vooruit zit het nog even dicht, achter me vertoont het wolkpak scheuren.

Kraaien en eksters zetten het op een zwieren. Drie fazanten inspecteren een rij scheefgezakte caravans. Een veld hoge spruitkoolstruiken staat te glinsteren als een massa met gebogen hoofden met nat haar. Groen haar.

Langs de wegen staan lindebomen met hun neergestorte vliegvruchtjes eronder en overal in de berm liggen de scherven van de mosselschelpen die de meeuwen stukpikten en leeghaalden.

Echter, wie de illusie van ongerepte natuur najaagt, heeft hier niets te zoeken. Het snelverkeer is zelden te zien maar onafgebroken te horen. Het uitzicht reikt ver, het is vreemd, ja het is spannend. Aan de overzijde van het water weerkaatsen van rode en oranje containers opgebouwde muren het weifelende zonlicht. Die enorme ronde vaten daar zullen 's zomers onzichtbaar zijn achter bomen en hoge struiken, nu vertonen ze zich in volle glorie, net als de skyline van hijskranen in vele vormen, de torens, de loodsen en de pijpen (met rook, met damp, met een ritmisch opflakkerende vlam).

's Zomers zal het hier, te oordelen naar de ligweitjes en strandjes en banken en prullenbakken, afgeladen zijn. Nu is er niemand.

17 km. Kaarten 3 en 28 t/m 30 uit:

Oeverloperpad. Uitg. Wandelplatform-LAW, Amersfoort 2001.

Begin- en eindpunt van de wandeling worden elk half uur verbonden door

bus 103 (Brielle, halte Nieuwland) en, na overstap op halte Metrostation,

bus 105 (Spijkenisse, halte Rozenlaan). Tel. taxi 0900 2000 150.