Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Met dezelfde precisie waarmee Sándor Márai zijn proza schreef plande hij zijn zelfmoord. Enkele minuten voor hij de loop van een pistool in zijn mond stak op 21 februari 1989 belde hij de politie om uit te leggen waar hij woonde. Hij joeg de kogel door zijn hoofd op de dag dat de werkster vrijaf had.

Ik heb twee foto's gezien van Márai in Amerika. Een ontheemde man. Een relikwie gevormd in de dubbelmonarchie verdwaald in een flat aan Balboa Park in San Diego. San Diego – de klank alleen al. Hij hoorde niet in de wereld van drive-by diners en shopping malls. Had Márai negen maanden gewacht, dan had hij de val van de muur meegemaakt. (En tien jaar daarna de wereldwijde herontdekking van zijn werk).

In 1946, vlak voor hij Hongarije voorgoed verliet, noteerde hij in zijn dagboek; `Een sneeuwige ochtend in Boeda. Renoir tinten: roze wolken in een bleek-blauwe winterse avondlucht. Hoe prachtig de wereld is! Klein, maar de mijne.'

Het moge duidelijk zijn dat de verbinding tussen mij en de wereld verloopt via mijn honden. Persoonlijk zou ik het liefst helemaal nooit meer buiten komen en alleen maar dromerig uit het raam staren naar de besneeuwde stad, de Donau. En soulplaatjes draaien. Maar dan vreten de honden het schors van de bomen in de tuin van ons huurhuis, dus af en toe moet ik eruit.

Rond middernacht ga ik dan. Boedapest ligt onder me met duizenden lichtjes. De sneeuw kraakt onder mijn voeten. Naast ons is een kindertehuis in een oud buitenhuis met een twee hectaren grote tuin. In de zomer kraaien er peuters rond die geen ouders hebben, of ouders die niet voor de kinderen kunnen zorgen.

Ilona en ik moeten ons bedwingen er ons niet een toe te eigenen. Zo'n dik meisje in een bloemetjes jurkje vol zwarte vegen. We zitten toch al in het hele circus van vroeg opstaan, eten, huiswerk, brengen, halen. Dan maakt één extra ook niet meer echt uit. Bubu vertelde dat zij in de familie de traditie hebben dat ieder gezin één kind adopteert.

De balkons van het kindertehuis zijn met hekwerken afgesloten, ook het plafond, alsof er tijgers worden gehouden. Er lopen zeker vijf tuinmannen rond die het levende bewijs zijn dat het communisme, en in het verlengde daarvan iedere vorm van staatsdienst, een sof is. Ik heb nog nooit zo'n stuk liefdeloze tuin gezien. Die vijf maken zich er met zo'n schandelijk Jantje van Leiden af – grote asfaltstroken met daartussen verdord gras, een van de allermooiste plekken van Boedapest hebben ze in een kazerneterrein weten te veranderen. Dat leger nietsnutten zit waarschijnlijk de hele dag in een kelder sigaretjes te roken bij wat mollige maar toch wel lekkere verpleegsters of kokkinnen.

De balkonkooien, de tralies voor de ramen en de unheimische parktuin maken dat je zin hebt al die kinderen over het hek te tillen en gezellig aan Ildiko's pannekoeken en te melige nockerli te zetten.

De kou bijt in mijn wangen. De duizenden geeloranje lichtjes van Boedapest schenken me een serene rust. Ik sla de Kalóz ut in, richting de Pinty ut. Daar is de heuvel dicht begroeid met struiken en bomen en zitten de honden soms wilde zwijnen op het spoor. In het bos staan oude, houten weekendhutjes, gedeeltelijk zijn ze tegen de vlakte geslagen – ik weet niet door welke harteloze boer – om te voorkomen dat er zwervers in schuilen.

Op de hoek van de Pinty ut staat een oudere mevrouw in het zwart gehuld. 12 uur 's nachts. De honden vliegen op haar af. Ze aait ze kalm. De liefdesbaby van de pittbull en de bloedhond, die worst op poten, springt tegen haar op. Zijn poten reiken bijna tot haar schouders, alsof ze op de hoek van de Pinty ut een potje gaan walsen. Ik haast me naar haar toe, trek het beest weg, die hond weegt een ton, en excuseer me. Mijn ervaringen met de Boedapesters tot nu toe is dat de hond nu afgemaakt moet worden. Maar de bebrilde vrouw lacht verontschuldigend en zegt; `Nem baj'. Niet erg. En schommelt goedmoedig het besneeuwde zandpad de heuvel af.

Verwonderd en gelouterd blijf ik onder de sterrenhemel staan. Daar gaat zij door de sneeuw (er is in één nacht nog eens meer dan tien centimeter gevallen). In 1943 noteerde Sándor Márai in zijn dagboek: `Momenten dat er zo'n stilte is – in ons, om ons heen – dat we het geheime tikken van 's werelds constructie waarnemen'.

Ze zijn er dus nog wel, ze zijn niet allemaal gevlucht, naar het buitenland of in hun eigen neuroses; oudere, normale Hongaren met vertrouwen in het leven, niet verlamd door angst van een halve eeuw dictatuur. Terwijl de honden zich in de struiken vermaken met wat gore botten en resten huid, zie ik dat de vrouw onderaan de heuvel rechtsaf slaat, het dichte bos in.

Dat kan maar één ding betekenen: ze is dakloos en op weg naar een van de behouden huisjes. De wind giert door de boomtoppen. De voorspelling is dat het vijftien graden zal vriezen.