`Vrouwen zijn onverwoestbaar`

De romans van Magda Szabó gaan over sterke vrouwen, afhankelijkheid en afwijzing. ,,Ik schrijf alleen op wat ik zelf meemaak.''

De eerste onderscheiding die haar voor haar gedichten werd toegekend moest Magda Szabó op de dag van de uitreiking meteen weer inleveren. Het hogere partijkader in het Hongarije van 1949 vond haar poëtische taal toch te bourgeois voor een prijs voor `een literaire uiting zonder religieuze, raciale of sociale vooroordelen'. Sindsdien haalt ze haar schouders op bij elke officiële erkenning. Ook al kwam de prijzenregen later alsnog, zelfs van de communisten: talloze medailles, van de Gouden klasse van de Prijs van de Arbeiders tot het grootste eerbewijs, de Kossuth-prijs.

Ook in het postcommunistische tijdperk wordt ze hoog gewaardeerd – en al hebben onderscheidingen voor haar geen betekenis meer, met de Prix Femina die ze afgelopen oktober in Parijs ontving, is ze wel degelijk blij. ,,Het gaat niet zozeer om de internationale erkenning, hoewel ik het fijn vind om het mee te maken. Het gaat om de roman waarvoor ik deze prijs heb gekregen: De deur. Hiermee los ik een deel van mijn schuld in die ik aan Emerence heb, de hoofdpersoon van dat boek. Ze heeft me zoveel gegeven, zoveel geleerd. Door alle publiciteit zullen nu heel veel mensen dit boek lezen en zich haar in herinnering houden.''

Magda Szabó (1917) heeft in totaal meer dan veertig boeken op haar naam: gedichtenbundels, romans, toneelstukken, essays, kinderboeken. Ze is een van de meest veelzijdige auteurs van Hongarije, en ook de meest vertaalde – ruim honderdvijftig titels in meer dan veertig talen. Toch is De deur haar enige roman die in het Nederlands is verschenen. Het gaat over de bijzondere band tussen een nukkige schrijfster en haar merkwaardige huishoudster. En tegelijk is het een poëtisch verslag van een affectie – hoe zuivere gevoelens het van de ratio winnen. Zoals zo vaak in Szabó's boeken botsen in dit boek twee totaal verschillende werelden. Het is dan ook niet de vraag wie van de hoofdpersonen gelijk heeft, binnen hun eigen systeem hebben ze dat allebei: zowel de erudiete schrijfster die het leed van de wereld met zich meetorst en met haar boeken de mensheid wakker wil schudden, als de vrijwel ongeletterde werkster die onvermoeibaar niet alleen voor haar `mevrouw', maar ook voor alle andere levende en dode wezens in de wijk zorgdraagt.

Leeuwenkop

De woning van Magda Szabó in het lommerrijke deel van Budapest is herkenbaar als de plaats waar De deur zich afspeelt. De fraaie meubels, de overvolle boekenkast, de leeuwenkop, de houtkachel. Het gemis van twee mensen is voelbaar: Emerence is er niet meer om voor orde en netheid te zorgen, en ook de schrijver Tibor Szobotka, Szabó's echtgenoot en steun en toeverlaat, is al ruim twintig jaar dood. Szabó, ver in de tachtig en nog steeds op en top een dame, ontvangt zelden gasten, maar wie ze binnenlaat, schenkt ze haar vertrouwen. Ze heeft bepaald dat na haar dood haar woning als museum wordt ingericht, zodat het publiek alle relikwieën kan bekijken die een tastbaar bewijs vormen van de werkelijkheid van het oeuvre van het schrijversechtpaar. ,,Dit is Tibors woonkamer'', zegt ze. ,,Tegenwoordig zit ik hier te werken – ik werd er gek van om maar te wachten wanneer de typemachine weer zou beginnen te ratelen. Ik wil niet dat het verloren gaat. Alles waarover ik geschreven heb, vind je in dit huis terug. Ik heb niets gelogen.''

Niet alleen De deur, alle romans van Szabó gaan over sterke vrouwen en hartstochtelijke gevoelens van vriendschap, afhankelijkheid, afwijzing. ,,Vrouwen doen de wereld vooruitgaan. Ze zijn onverwoestbaar – niet voor niets heeft de Eeuwige, die iedereen onder een andere naam aanbidt, de vrouw het vermogen gegeven om kinderen te baren. Mannen gaan elkaar te lijf, vrouwen zetten het leven voort. Met hun ongebreidelde liefde of haat kunnen vrouwen het leven ook tot een hel maken en mannen aanzetten tot gruweldaden. Ik heb dit al heel vroeg begrepen, want ik ben opgegroeid in een bijzonder gezin: van beide kanten stam ik uit een geslacht van leraren en dominees die de hele Hongaarse geschiedenis in zich meedragen.''

Een van haar voorouders, een dominee die tijdens de contrareformatie als galeislaaf werd verkocht omdat hij weigerde het woord op de katholieke manier te verkondigen, werd door Michiel de Ruyter bevrijd. De admiraal gaf hem zelfs geld waarmee hij in Utrecht medicijnen kon studeren. ,,Mijn moeder was een fee'', voegt ze daaraan toe. ,,Voor haar had alles wat haar omringde een verhaal dat alleen zij kon ontcijferen. Mijn vader leerde me Latijn en als sprookje voor het slapengaan vertelde hij me de hele klassieke mythologie, waarin dood en verderf om de meest futiele redenen tot de orde van de dag horen. Later, toen ik in Wenen studeerde, heb ik Hitler de stad zien binnenmarcheren. De dood is voor mij de gewoonste zaak van de wereld geworden. We worden geboren en gaan dood en in de tussenliggende tijd maken we heel veel vuile narigheid mee. Dit is ook de essentie van de politiek, en ik schrijf dat op zoals het is. Daarom hebben de communisten mij het zwijgen opgelegd.''

Een jaar voordat die ene prijs haar werd ontnomen, ging de schrijver Sándor Márai in ballingschap. Volgens hem zouden de communisten hem niet alleen het vrije spreken, maar ook het vrije zwijgen onmogelijk maken. Is het in Szabó nooit opgekomen om Hongarije te verlaten?

,,Márai heb ik gekend – en ook zijn huwelijk en zijn omstandigheden. Ik weet wel waarom hij vertrokken is. Nee, laten we het daar maar niet verder over hebben. Bovendien was hij in 1948 al een bekende schrijver, terwijl ik net kwam kijken. Ik had alleen nog maar twee dichtbundels gepubliceerd, en een essay over lichaamsverzorging bij de Romeinen, mijn afstudeeronderwerp.

,,Al had ik het gewild, dan nog kon ik niet weg: mijn ouders waren al op leeftijd en verkeerden in levensgevaar. Stel je voor: mijn overgrootvader had het theater in Debrecen opgericht en mijn vader bekleedde als patriciër allerlei hoge ambten in die stad. Dat was op zich al reden om beschuldigd te worden van bourgeois-activiteiten. Ik moest in de buurt blijven om hen te beschermen. Maar ook de taal was een essentieel argument voor mij om niet weg te gaan. Ik had al eerder mijn verloving met een Oostenrijker verbroken toen mijn vader me vroeg: `Magda, hoe kun je gelukkig zijn met iemand die je verzen niet begrijpt?' Hij zag heel goed in dat dit niet mogelijk was.''

Prachthuwelijk

Zoals in alles, koos Szabó voor de volledigheid. Ze trouwde met Tibor Szobotka die in de veelbelovende jaren direct na de oorlog literair redacteur was bij de radio. Het was een prachthuwelijk – meer dan dat, een verbond van gelijkgestemden, waarvan Szabó in meerdere boeken verslag doet. Szobotka was degene die Szabó aanspoorde om proza te gaan schrijven en dit in moeilijke tijden simpelweg vol te houden, zijn eigen ambities achter het kunstenaarschap van zijn vrouw stellend. Samen behoorden ze tot de groep rondom het tijdschrift Újhold (Nieuwe maan). Iván Mándy, Géza Ottlik, Ágnes Nemes-Nagy, Gyozo Határ, János Pilinszky vormden een hechte intellectuele gemeenschap van verzet. Non est volentis neque currentis sed miserentis Dei lijkt het devies van deze groep. Het komt uit Paulus' brief aan de Romeinen. Ja, gek genoeg waren we praktisch allemaal protestant. Het was echter geen criterium, maar we trokken elkaar aan zonder dat we ons daarvan bewust waren. We hadden dezelfde achtergrond, dezelfde ontwikkeling, dezelfde ruggengraat, we herkenden onszelf in de ander. Ottlik entte de hele structuur van zijn roman School aan de grens hierop. Voor mij hebben deze woorden van Paulus een persoonlijke betekenis, want zowel bij mijn doop als bij mijn confirmatie kreeg ik ze mee. Ik moest mijn vader echter vragen wat het betekende: het is niet van degene die wil, noch van degene die rent, maar van de barmhartige God. `Maar wát niet?' vroeg ik hem toen, omdat het onderwerp in die zin ontbrak. `Dat is jouw leven', antwoordde mijn vader – ik zal zijn zachte stem nooit vergeten. En kijk mij nu.''

Bedoelt ze hiermee dat het succes niet haar talentvolle en ambitieuze echtgenoot ten deel is gevallen, maar wel haar zelf, die alleen maar deed wat ze kon, schrijven? Ervaart ze dat talent als genade?

,,In de eerste helft van de jaren vijftig publiceerden de Újhold-auteurs niet. Ze vroegen ons regelmatig om kopij, maar we weigerden te schrijven wat de autoriteiten wilden. Dus we schreven voor de bureaula. Tibor had onbenullige baantjes, het schrijven werd hem op alle denkbare manieren onmogelijk gemaakt. Hij is daardoor geknakt en nooit meer een volledig mens geworden. Zelf gaf ik les op een basisschool, een periode waarin ik twee romans en een kinderboek heb geschreven.''

Kinderboeken publiceren was makkelijker dan romans voor volwassenen. Waar lag dat aan?

,,De censuur was dom, ze doorzagen de allegorieën niet. Terwijl het niet zo moeilijk is om in Tündér Lala (Lala het elfje) het verhaal van een bloedige onderdrukking te ontdekken. Een elvenkoningin die bij elke stap vooraf toestemming moet vragen en in voortdurende angst leeft omdat ze moet verbergen dat haar zoon een mensenhart heeft.

,,Na de opstand werden mijn boeken wel uitgegeven. In Fresco, mijn eerste roman, schrijf ik weliswaar over de misselijkmakende houding van de zogenaamde `vredesgeestelijken', priesters en dominees die voor bepaalde voordeeltjes met de communisten samenwerkten, maar omdat de zeer orthodoxe dominee die er ook in voorkomt als negatief personage wordt opgevoerd, werd het als kritiek op de kerk opgevat. En meteen kwamen ook de prijzen. Weet je hoe ik ze in ontvangst heb genomen? Ik deed mijn ring met de grote, groene steen met het adellijke familiewapen om mijn vinger aan mijn rechterhand. Hij hoort aan de linkerhand, en ik droeg hem anders nooit, waarom zou ik. Maar bij zulke gelegenheden hoorde zelfs bij de communisten een handkus. Nou, ze mochten mijn hand kussen!''

Fresco, ook vol onbeteugelde haat en liefde en in al hun ingewikkeldheid volstrekt logische verhoudingen van de personages, zorgde in 1958 voor een doorbraak. Een toeval bracht haar naam zelfs tot over de grenzen. ,,Mirza von Schüchting, een Duitse barones, werd verliefd op een knappe Hongaar, trouwde met hem en vestigde zich in Hongarije. Ze leerde de taal en las mijn boek. Ze nam contact met me op, vertaalde Fresco en stelde voor het boek naar Duitsland te smokkelen. Ze zou het aan een vriend van haar laten zien.'' Die vriend heette Hermann Hesse. Op zijn aanbeveling kocht Insel Verlag niet alleen deze roman, maar alvast alles wat Szabó in de toekomst nog zou schrijven.

Gordijnen

In de jaren zestig en zeventig verschenen in het westen de vertalingen van haar boeken haast tegelijk met het origineel – een ongekend verschijnsel toentertijd. Later begon de belangstelling voor haar boeken te tanen, en voorafgaand aan de Prix Femina was Magda Szabó een haast onbekende, vergeten auteur. Maar haar vertalers, Chantal Philippe in Parijs en het duo Anikó Daróczy en Ellen Hennink in Antwerpen geloofden in haar en werkten, net als voorheen Szabó zelf, voor de bureaula. Gelukkig ging er toen een uitgever overstag. En van het een kwam het ander: Magda Szabó staat nu opnieuw in de belangstelling.

Hoe vindt ze het dat er eindelijk een begin wordt gemaakt met de Nederlandse vertaling van haar oeuvre? ,,Ik houd heel veel van Nederland en ben er verschillende keren geweest als lid van kerkelijke delegaties. Ik ken de bescheiden musea die jullie `grachtenpanden' noemen. En ik weet ook waarom er geen gordijnen voor de ramen hangen: dat was een besluit van de synode van Dordrecht. Een rechtschapen mens heeft niets te verbergen. Met koningin Juliana ben ik ooit naar het Rijksmuseum geweest. Ze gaf toen opdracht om na sluitingstijd alle zalen voor ons alleen open te maken zodat we ongestoord konden genieten.''

Door haar liefde voor Nederland is ze blij dat De deur hier verschenen is en dat binnenkort Katalin utca (Katalinstraat) volgt. ,,Deze roman is mij heel dierbaar – het gaat over een vriendschap tussen kinderen uit drie gezinnen tijdens de oorlog en over de ontwrichting van hun levens doordat het joodse meisje, Henriëtte, wordt vermoord.

,,Als het aan mij ligt, wordt daarna A pillanat (Het ogenblik) vertaald, een roman die zich 2000 jaar geleden afspeelt. Daar staat alles in over hoe je orde moet houden in een staat, hoe je een kroonprins opvoedt zodat hij nooit een tiran wordt – zeg maar alles wat politici horen te weten. Ik ben geboren om dit boek te schrijven. En het is tegelijk mijn eerlijkste autobiografie.''

Hoe het mogelijk is dat een boek als A pillanat haar autobiografie is? ,,Ik schrijf alleen op wat ik meemaak, wat ik zie en hoor. Mijn personages zijn de mensen die me omringen. Dat ik hen soms ontvoer en in een ander tijdperk neerzet, een kostuum laat dragen, verandert niets aan de essentie. De hoofdpersoon Creusa ben ik, haar plichtsgevoel en eenzaamheid zijn de mijne.''

`De deur' is verschenen bij uitgeverij Houtekiet. Over twee maanden verschijnt daar ook haar roman `Katalinstraat'.

`Gek genoeg waren we allemaal protestant'

`De dood is de gewoonste zaak van de wereld'