Vertederd door de profeet

De vrouwvijandigheid van de islam is niet gebaseerd op de koran, maar op latere interpretaties, betoogt Nahed Selim in een verkwikkend boek.

De grote filosoof Abou Jahjah sprak dat de Verlichting te danken was aan de Arabieren; recent stond in Trouw een opiniestuk waarin werd gesteld dat Mohammed als eerste de scheiding van kerk en staat voorstond (Mohammed!) en vaak leest men, ter illustratie van de wetenschappelijke ijver der Arabieren, dat zij de nul hebben uitgevonden – terwijl die in India al in de zevende eeuw werd gebruikt. Mijn favoriet is de stelling dat Adam en Eva moslims waren en Arabisch spraken (er is een kwatrijn van Adam overgeleverd).

Met historisch besef heeft dat niets te maken, wel alles met haantjesgedrag en mythomanie. De onderliggende gedachte moge duidelijk zijn: zonder Arabieren of de islam zou er geen (westerse) beschaving zijn. De eerste biografen van Mohammed, een eeuw en langer na diens dood, hadden politieke bedoelingen en zo werd de periode vóór Mohammed aangeduid als het tijdperk van de Onwetendheid. Door die tijd zwart te kleuren, kon het licht van de islam feller schijnen.

Tussen zoveel clownesk gebral is het boek De vrouwen van de profeet. Wat heeft de koran over de vrouw te vertellen van Nahed Selim een verkwikking. De in Nederland wonende tolk/vertaalster Selim (Egypte, 1953) keert, varend op eigen kracht en inzichten, terug naar de bronnen en ontleedt ze nauwkeurig. Zij rukt de koran uit de handen van baard en djellaba (= imam) en onderwerpt hem aan een persoonlijke en belangeloze analyse. Er zijn te weinig van zulke soevereine geesten onder de muzelmannen, laat staan onder de muzelvrouwen. De vrouwen van de profeet is een belangrijk boek.

Openbaringen

Wie de koran en overlevering (de hadith) niet kent, zal getroffen worden door verschillende passages in het boek. Selim wijst erop dat de vrouwvijandigheid van de islam niet gebaseerd is op de koran zelf (op de beruchte passage waarin het slaan van vrouwen wordt gerechtvaardigd), maar vooral op de traditie en op uitspraken van latere interpreten. Zo worden vrouwen in de koran gemaand hun `tooi' (zina) te bedekken en is dit woord uitgelegd als metafoor: niet sieraden zouden zijn bedoeld, maar het gezicht en andere lichaamsdelen van de vrouw. Er is, op semantisch gebied, geen enkele rechtvaardiging voor deze uitleg te vinden. Of het moet het gekwetste machismo zijn van de mannen die, volgens Selim, niet konden verkroppen dat Mohammed de vrouw zoveel rechten gaf. Selim wil vrouwen het recht geven de koran zelf te lezen, haar doel is een eerste stap te zetten in wat zij omschrijft als een `feministische theologie'.

Daarbij vergeet ze niet te vermelden dat de koran, zonder kennis van het persoonlijk leven van Mohammed, niet te begrijpen is. De stijgende problemen van Mohammed met zijn uitdijende harem maakten van de man een allengs onverdraagzamer persoon. Zo zijn `openbaringen', die Mohammed enkel en alleen gebruikte om tijdens echtelijke twisten zijn vrouwen de mond te snoeren (`zo heeft God mij gezegd'), in de koran terechtgekomen en zodoende geldig geworden voor alle moslima's. Er is al eerder geschreven dat `de sluier' (hidjaab), waaronder ook verstaan wordt de afzondering van vrouwen van mannen) alleen voor zijn eigen vrouwen was bedoeld. Een negende-eeuwse vrijdenker verzuchtte dat mannen en vrouwen altijd vrijelijk met mannen konden omgaan totdat Mohammed de hidjaab verplicht stelde aan zijn vrouwen.

Selim benadert de overlevering met terechte twijfels, twijfels die door orthodoxen als een overtreding worden beschouwd: `Deze zevenduizend [overleveringen] vormen volgens de verzamelaar een selectie van de meest authentieke uit een aanbod van zeshonderdduizend overleveringen, die nog allemaal in omloop zijn. Gedeeld door de drieëntwintig jaar waarin hij profeet is geweest, zou Mohammed, afgezien van acht uur slaap per nacht, dagelijks zestien uur hebben gesproken met een frequentie van vier overleveringen per uur, wat onwaarschijnlijk is.'

Zij leest de koran met open geest en komt tot kostelijke inzichten: zo ontdekt zij dat de koran (2:223) voorspel aanraadt, waarvoor volgens haar geen Arabisch woord is (volgens mij kan het woord taghazzoel in een ruime zin wel op die manier gebruikt worden, het betekent minnekozerij, of, zoals een Arabisch woordenboek het uitlegt: vrijen zonder te penetreren). Flarden van koranpassages plaatst ze in hun context en daarbij blijkt dat door de eeuwen heen bijzonder selectief en onvolledig geciteerd wordt door mannelijke exegeten (een pleonasme).

Opportunistisch

Ze haalt gedichten aan van de bekende Syrische dichter Nizzar Qabanny (gestorven in 1998) die via zijn poëzie streed voor vrouwenrechten; ze behandelt onderbelichte `ketters' van de islam zoals Razi en, tot mijn grote vreugde, Ibn al-Raawandi, de grote rationalist. Haar research is grondig.

Helaas wordt het boek door verschillende mankementen ontsierd. Het heeft een slordige structuur, de spelling van namen en Arabische woorden is niet eenduidig, er zijn veel overbodige herhalingen die op je zenuwen gaan werken, er zijn tegenstrijdigheden. Voornoemde `openbaringen' die Mohammed als chantage (Selims woord) gebruikte tegen zijn vrouwen vindt ze op pagina 126 `vertederend, want ze laten zien dat de profeet zich tegenover zijn vrouwen absoluut niet als tiran gedroeg' (vertederend? Niet tiranniek, maar toch wel opportunistisch) en op pagina 130 maken ze haar juist woedend. Ook haar persoonlijke verhalen doen de ernst en het belang van het boek geen goed. Haar stijl wordt dan nuffig: `Ik vind zulke teksten duidelijk beneden het niveau van een profeet' en: `Starend in de dansende vlammen van mijn haard, met mijn laptop op schoot en omringd door stapels boeken en korans in allerlei talen, denk ik na over mijn leven.' Als het woord niet was geannexeerd door Martin Bril, zou ik hier zeggen: tja.

Mijn grootste bezwaar echter is haar beschrijving van de pre-islamitische periode, die verbazingwekkend genoeg klakkeloos is overgenomen van dezelfde bronnen die zij aanvalt en waarvan ze aantoont dat ze misvormingen zijn. Het hoort natuurlijk bij de mythologisering van de islam om de voorgaande periode als een tijd van barbaarsheid af te schilderen. Recente opgravingen en publicaties laten echter zien dat het een tijd van kleurrijk heidendom was. Er zijn zelfs aanwijzingen dat de vrouwen toen meer vrijheden genoten dan na de islam. Zo kwam polyandrie voor (uiteraard meteen afgeschaft door Mohammed) en was er vrije omgang tussen de seksen.

De toespeling in de koran op het levend begraven van meisjes wordt uitgelegd alsof dit een gangbaar gebruik was onder alle Arabische stammen, maar dat is niet waar: alleen de stam Kinda deed dit. In hongersnood werden alle kinderen levend begraven. En dat de vrouw in die tijd totaal rechteloos was, weerlegt de eerste vrouw van Mohammed, die een rijke en zelfstandige zakenvrouw was, evenals zijn geduchte tegenstander Hind (later beschreven als een lesbienne!), die de lever van Mohammeds oom opat uit wraak. De `donkere' Middeleeuwen waren helemaal niet zo donker en van de djaahiliyya (het `Tijdperk der Onwetendheid') valt het te betreuren dat Mohammed zoveel ervan heeft weggevaagd. Men vergeet dat er een levende Byzantijns-christelijke en joodse cultuur bestond, en dat de invloeden van de late oudheid zich nog deden gelden.

Uiteindelijk wegen deze mankementen niet op tegen de intelligentie en inzichten van deze lovenswaardige schrijfster. Als alle moslima's het lezen, dan kunnen ze misschien beginnen met werkelijke emancipatie: bevrijding van mannelijk geestelijk gezag.

Nahed Selim: De vrouwen van de profeet. Wat heeft de koran over de vrouw te vertellen.

Van Gennep, 272 blz. €17,90