Vechten om een kammetje

Was de reformatie de overgang van een decadent katholicisme naar de seculiere en verlichte wereld waar wij nu in leven? Moderne historici laten weinig van dit `grote verhaal' heel. De normen en waarden van de reformatie waren bij lange na nog niet de onze.

Het verhaal van de grote scheuring in de christelijke kerk die we de `hervorming' noemen, is sinds de zestiende eeuw op allerlei manieren verteld. De eerste generaties protestanten zagen de hervorming graag als het werk van de goddelijke voorzienigheid. Katholieken kwamen tot de conclusie dat de scheuring de louterende straf was geweest voor een kerk die in de Middeleeuwen het spoor bijster was geraakt maar die zich inmiddels weer helemaal had hersteld. Ook voor ongelovige negentiende- en twintigste-eeuwers was de hervorming een mijlpaal; niet zozeer om zijn religieuze inhoud, maar omdat het protestantisme werd gezien als een wegbereider voor `moderne' waarden. Individualisme en rationalisme, kapitalisme en democratisering, een vrije pers en vrouwenemancipatie, maar ook nazisme en totalitarisme zijn allemaal `teruggevoerd' tot de hervorming.

Moderne onderzoekers hebben van dit grand narrative niet veel overeind gelaten. De hervorming, zeggen zij, moet worden gezien in haar eigen tijd – en dat was een heel andere dan de onze. Het was een tijd waarin innovatie een vies woord was, waarin mensen geneigd waren om in natuurverschijnselen en politieke gebeurtenissen Gods waarschuwende hand te zien, en waarin veel gelovigen gedreven werden door de overtuiging dat het einde der tijden nabij was. Zoals de alom betreurde Nederlandse kerkhistoricus Heiko Oberman het zegt in zijn postuum verschenen boek The Two Reformations: `Luther did not live on the eve of modern times; he lived at the end of time'.

Het verhaal van de hervorming is dus `historischer' geworden, maar daarmee lijken historici ook een beetje hun eigen graf te hebben gegraven. Want als gelovigen van vandaag vrijwel niets meer gemeen hebben met hun voorouders, en als het protestantisme ook al niet de voorloper van het moderne westerse waardenstelsel was, waarom zou een mens, en vooral een ongelovig mens, dan nog iets van de hervorming af willen weten?

Van Obermans boek kunnen we het antwoord op die vraag niet verwachten. Het is een vergelijkende studie van de bijdrage van de hervormers Luther en Calvijn aan de reformatie, maar in de eerste plaats bedoeld voor specialisten. Patrick Collinson's The Reformation is echter expliciet bedoeld als een inleiding voor leken. Collinson is kenner van het Engelse Puritanisme en een groot historicus, maar in dit boek is zijn invalshoek weinig verrassend. Was de reformatie nu wel of niet de vroedvrouw van de moderne wereld, vraagt hij nog maar eens. Hij vat goed samen wat er mis is met de oude grand narratives, en signaleert wat historici de laatste decennia zoal bedacht hebben over de reformatie in Engeland en West-Europa, maar dit is geen boek dat pretendeert nieuwe vragen te stellen of werkelijk nieuwe antwoorden te geven.

Voor de Oxfordse kerkhistoricus Diarmaid MacCulloch, staat het probleem van de `relevantie' echter wel centraal. Inderdaad produceerde en propageerde de hervorming geen hapklare moderne waarden, zegt hij in zijn meesterlijke Reformation. Europe's House Divided 1490-1700. Het belang van het hervormingsproces zit hem in de debatten en de conflicten, de versplintering en vergruizing, die in de cultuur van Europa, en daarmee ook die van haar koloniën, overal zijn sporen heeft nagelaten. Heksenjachten in Afrika, het fundamentalisme van Amerikaanse presidenten, de conflicten in Bosnië, Cyprus en Noord-Ierland en het antiklerikalisme in de Italiaanse en Spaanse politiek; MacCulloch laat geen kans onbenut om aan te stippen hoe de `hervormingen' van de zestiende en zeventiende eeuw doorwerken in de wereld van vandaag.

Hoe verklaren we die vergruizing? Lange tijd geloofden historici dat de middeleeuwse kerk zo in verval was dat de hervorming wel een `natuurlijke' reactie moest zijn, maar tegenwoordig wijzen ze juist op de vitaliteit van de laat-middeleeuwse vroomheid. Anderen hebben de hervorming wel gezien als een symptoom van wat eigenlijk maatschappelijke en politieke spanningen waren – van klassenstrijd of de groeiende vorstenmacht in Europa bijvoorbeeld. MacCulloch beklemtoont daarentegen dat het nieuwe ideeën waren die de hervorming maakten tot wat hij was. Hij is de eerste om toe te geven dat die ideeën ver van ons af staan; veel van de theologische conflicten lijken op het eerste gezicht niet relevanter dan `two bald men fighting over a comb'. Hij heeft zich dus expliciet tot taak gesteld om ons te overtuigen van het belang van deze ideeën en hij doet dat briljant. MacCulloch schrijft helder, levendig, vaak amusant – en voor leken. Voorkennis is niet vereist, maar de lezer wordt ook niet betutteld.

Het geniale van dit boek zit hem in de breedte van MacCullochs analyse. Het bestrijkt een lange periode – veel langer dan de meeste boeken over de hervorming. Het gaat niet alleen over de grote protestantse hervormers, maar ook over de veranderingen in de oude kerk. Het gaat niet alleen over de winnaars, maar ook over de verliezers, over de vele kleinere groepen radicalen, die, vaak gemarginaliseerd en vervolgd, toch een enorme invloed op de hervorming hadden.

De Nederlanden waren een brandpunt voor dergelijk radicalisme – aanvankelijk omdat er bij gebrek aan een geleide hervorming van bovenaf, veel theologische doe-het-zelvers waren, later omdat de Republiek weliswaar geen vrijheid van eredienst kende, maar wel `vrijheid van geweten'. Dissidenten uit binnen- en buitenland konden er dus tot op zekere hoogte hun gang gaan. Toch laat MacCulloch ook zien dat de Nederlandse republiek hierin minder uitzonderlijk was dan vaak wordt beweerd. Hij heeft een echt Europese studie geschreven waarin veel aandacht is voor gebieden die vaak als perifeer zijn weggewuifd: Polen-Litouwen (rond 1500 nog de op een na grootste staat van Europa), Bohemen en Moravië (in het huidige Tsjechië) en Hongarije en Transylvanië (nu in Roemenië), blijken in MacCulloch's boek steeds weer belangrijke centra, waar verstrekkend werd geëxperimenteerd met religieuze pluriformiteit.

Juist Oost-Europa herinnert ons eraan dat de versplintering in de christelijke wereld al lang voor de grote kerkscheuring van de zestiende eeuw was begonnen. Sinds de elfde eeuw was de christelijke kerk verdeeld in de Grieks orthodoxe kerk van het Oosten en de Latijnse kerk van het Westen. In veel delen van Oost-Europa woonden verschillende soorten christenen dus zij aan zij. Maar ook de `Roomse' kerk van het westen was rond 1500 al een huis met vele woningen. De kerk had soms dissidente groepen christenen tot ketters verklaard, en die ook vervolgd. Maar in de praktijk ontbrak het de middeleeuwse kerk aan de politieke steun, de financiële middelen, de doctrinaire coherentie en voldoende personeel om volledige uniformiteit af te kunnen dwingen. Kritiek op de kerk was bovendien niets bijzonders en al de hele vijftiende eeuw werd er van hoog tot laag geroepen om een `hervorming', die des te dringender leek omdat velen ervan overtuigd waren dat het einde der tijden nabij was.

Toen de Augustijner monnik Maarten Luther in 1517 in Wittenberg de aanval opende op de kerkelijke aflaathandel was dat op zichzelf dan ook niet zo schokkend. Maar Luthers kritiek ging veel verder dan een veroordeling van pauselijke hebzucht. Eerst impliciet, later steeds openlijker, verwierp Luther al gauw alle claims van de kerk dat deze, als plaatsvervanger van Christus op aarde, de `verdienste' van Christus over de gelovigen kon verdelen, en in Christus' naam de zonden van de gelovigen kon vergeven. Priesters bleven wel nodig, omdat God wilde dat er een kerk was, waarin kinderen door de doop werden opgenomen en Christenen het avondmaal gebruikten, maar priesters waren niet langer `middelaars' tussen God en mens. Zij moesten vooral onderwijzen, en preken uit de enige bron van godsdienstig gezag die Luther zei te willen erkennen, de Bijbel.

Het bleek een radicale boodschap, radicaler dan Luther zelf overzag. De tekst van de Bijbel is tenslotte voor vele interpretaties vatbaar, en waarom zou alleen Luthers interpretatie de juiste zijn? Al snel was Luther al even druk bezig met het in de hand houden van mensen die met zijn ideeën op de loop gingen als met het bestrijden van die Hoer van Babylon, de oude kerk die hij aanvankelijk van binnenuit had willen hervormen. Het was vergeefs. Priesters en leken, mannen en soms zelfs vrouwen, zouden doen en blijven doen wat Luther leek te hebben aangemoedigd. Ze lazen hun bijbels, herbezonnen zich op tradities, kregen goddelijke ingevingen, en eisten het recht op om hun eigen versie van Gods boodschap uit te dragen. Conflicten tussen theologen, maar ook het alledaagse activisme van leken, leidden steeds opnieuw tot het ontstaan van nieuwe kerken, tot nieuwe scheuringen, nieuwe definities van orthodoxie en ketterij, veel geweld en oorlog. En tot het ontstaan van nieuwe Europese culturen.

De reformatie kende volop absurde momenten, en MacCulloch doet die met smaak uit de doeken. Ideeën zijn mensenwerk, beklemtoont hij, en dat betekent dat ideeëngeschiedenis lang niet altijd logisch, laat staan verheffend is. Ja, soms was het eruditie, vroomheid, traditie en idealisme dat het theologisch debat stuurde, maar angst, pragmatisme en kinnesinne speelden ook een grote rol. En ook wat er vervolgens met die ideeën gebeurde hing af van andere factoren, van prinsen en stadsbesturen. Dat het protestantisme in sommige gebieden wel, en in andere niet aansloeg had maar zeer ten dele met theologie te maken, en ook hoe het de kerken vervolgens verging hing af van de interactie van theologie met de politieke en sociale context, met bestaande culturele en juridische tradities, en soms gewoon met het toeval.

Het is om die reden dat de resultaten van de hervormingen van plaats tot plaats konden verschillen. In sommige staten lagen de kerken permanent overhoop met de wereldlijke autoriteiten, in andere werden ze een soort overheidsdepartement. In Italië en Spanje schiepen de katholieke hervormers een exuberante processiecultuur, maar onder katholieken in Centraal-Europa kwam die niet tot wasdom. In Scandinavië zorgden lutherse evangelisatiecampagnes en overheidsdwang dat iedereen leerde lezen en schrijven, maar in de Duitse landen bleven lutherse boeren ongeletterd. Schotse gereformeerden en Zuid-Nederlandse katholieken joegen op heksen, Noord-Nederlandse gereformeerden en Ierse katholieken deden dat niet.

Toch was er ook veel wederzijdse beïnvloeding. De hervorming leidde tot de omvangrijkste migratiegolf sinds de grote volksverhuizingen. Mensen raakten op drift door overheidsgeweld en godsdienstoorlogen, door volksplantingen en op zoek naar het nieuwe Jeruzalem. Van Italië naar Polen gingen ze, van Engeland naar Nederland en naar Hongarije, van Ierland naar Italië, en van Frankrijk naar Pruisen – en vooral natuurlijk van de oude wereld naar de nieuwe. Met hen reisden lokale teksten, gewoonten en gebruiken. Al omstreeks 1600 onderbraken Schotse gereformeerde kerkgangers graag de preek met het uitroepen van `Amens' en `Hallelujahs', en viel er nogal eens iemand flauw door de kracht van het Woord. Het zou een `typisch Amerikaanse' traditie worden.

MacCulloch zegt te willen beschrijven `how it felt to live through Europe's Reformations and Counter-Reformations'. Dat is een ambitie die hij maar ten dele waar kan maken. Al vertelt hij ons hier nogal wat over het gedrag van leken, de mensen wier gevoelens in dit boek aan de orde komen zijn bijna allemaal priesters en geleerden, predikanten en hun vrouwen, nonnen en monniken, prinsen en edellieden. Toch vertelt het derde deel van dit boek, `Patterns of Life' ons veel over de gevolgen van de hervorming voor het leven van alledag. Die waren ingrijpend. Priesters, predikanten en prinsen beijverden zich niet alleen om gelovigen grondig te onderwijzen in de nieuwe leerstellingen, maar verbonden dat ook aan sociale en morele `disciplinering'. Want, zo wisten alle Europeanen, een samenleving waarin de zonde welig tierde zou onherroepelijk te maken krijgen met de wraak des Heren. Moreel gedrag kon in vroegmodern Europa daarom niet worden beschouwd als een privé-aangelegenheid. Het was een zaak van de hele gemeenschap om de zonde te bestrijden en het geloof te handhaven. Daarbij waren concurrerende kerken natuurlijk geneigd om zich af te zetten tegen de `ketterse' gebruiken van de ander. Katholiek Europa hervormde de jaartelling – genoeg reden voor veel protestante gebieden om dat juist niet te doen. Omdat protestanten het priestercelibaat verwierpen en het huwelijk verheerlijkten, deed de rooms-katholieke kerk juist het omgekeerde.

Toch waren waren de kerken het op sommige punten ook verbazingwekkend eens. Zo beklemtoonden ze allemaal het belang van een openbare, kerkelijke huwelijksvoltrekking, en verhardde (waarschijnlijk ook als gevolg van de syfilisepidemie die Europa trof) hun oordeel over overspel en andere vormen van buitenechtelijke seksualiteit. Ze bleven bovendien bij uitstek bevreesd voor wat ze `sodomie' noemden: een term die niet alleen verwees naar anale penetratie, of naar seks tussen mannen, maar die nog allerlei andere, vagere en vreselijkere connotaties had. Zowel katholieke als protestantse kerken zetten zich in deze periode bovendien in voor het bestrijden van hekserij. Dergelijke angsten hadden van alles met elkaar te maken. Tijdgenoten associeerden het goddelijke met orde – in het huishouden, de staat en het universum. De duivel probeerde die orde omver te werpen: ketterij, hekserij, opstandigheid en sodomie konden zo tot een en dezelfde, duivelse, noemer worden teruggebracht.

Tegelijkertijd begon zich ook een nieuw fenomeen af te tekenen: de `vervrouwelijking' van het geloof – vrouwen hadden in vrijwel alle kerken nog steeds niets te zeggen, maar lijken er numeriek wel steeds belangrijker te zijn geworden. Vanaf de zeventiende eeuw was er bijvoorbeeld een explosie in het aantal vrouwelijke religieuzen, maar ook in de Protestantse kerken waren vaak veel meer vrouwelijke dan mannelijke lidmaten. MacCulloch denkt dat dit een van de redenen zou kunnen zijn waarom zich, omstreeks 1700, een bredere culturele omslag begon af te tekenen in traditionele seksestereotypen. Werden vrouwen voor die tijd gezien als van nature (seksueel) ongeremder en onverzadigbaarder dan mannen, pas na die tijd onstond het stereotype beeld van de vrouw die `van nature' zediger, kuiser en kwetsbaarder was dan haar mannelijke tegenhanger.

Of er ook een verband was tussen die vervrouwelijking van het geloof en het einde van de hervorming is moeilijk te zeggen, maar omstreeks 1700 liep die hervorming, zegt MacCulloch, wel duidelijk op haar einde. Na de godsdienstoorlogen uit de periode 1550-1650 nam het enthousiasme voor heilige oorlogen aanmerkelijk af. Al vervolgden veel vorsten nog steeds de dissidenten onder hun eigen onderdanen, tegelijkertijd was een van de onbedoelde effecten van de hervormingen toch ook geweest dat Europeanen waren gaan wennen aan religieuze pluriformiteit, en sceptischer waren geworden over religieuze zekerheden. De intensiteit van de religieuze debatten had bovendien ook geleid tot nieuwe wetenschappelijke criteria – oude kennis was niet meer vanzelfsprekend ware kennis. Zelfs de Bijbel werd nu in toenemende mate gezien als een historisch gegroeide tekst. De `wetenschappelijke revolutie' en de Verlichting, zegt MacCulloch, waren dan ook niet zozeer antireligieus, als wel het product van de religieuze debatten van de hervorming.

MacCulloch wijst herhaaldelijk op Londen en Amsterdam als centra waar zich veel van deze veranderingen voor het eerst voltrokken. In beide handelscentra was het ondoenlijk – en vooral niet lucratief – gebleken om religieuze uniformiteit en complete sociale discipline af te dwingen. In beide steden kwamen nieuwe boeken van de persen en arriveerden migranten met onorthdoxe ideeën. MacCulloch denkt dat er een verband moet zijn tussen religieuze pluriformiteit, grotere welvaart, nieuwe wetenschap en de ontwikkeling van nieuwe seksuele identiteiten en subculturen. Hij is daarin niet de eerste. Maar anders dan de historicus Jonathan Israel, bijvoorbeeld, ziet hij in die veranderingen niet zozeer de opmaat tot het ontstaan van een moderne, seculiere wereld, als wel een transformatie van de religieuze culturen zelf. God is in Noordwest Europa dan misschien wel bijna dood, maar elders in de wereld gaan die transformaties verder, met gevolgen voor ons aller levens. Wie MacCulloch leest, zal daar meer van gaan begrijpen.

Diarmaid MacCulloch: Reformation. Europe's House Divided, 1490-1700

Allen Lane/Penguin, 832 blz. €44,22

Heiko A. Oberman: The Two Reformations. The journey from the last days to the new world. (red. Donald Weinstein)

Yale University Press, 235 blz. €40,60

Patrick Collinson: The Reformation. Weidenfeld and Nicholson, 210 blz. €28,30