Van een dankbare lezer

Vorige week is een belangrijk boek verschenen, een boek dat menig lezer de vuisten zal doen ballen en anderen weer tot kreet na kreet van instemming zal brengen. Niet overdreven. Wie gevoelig voor het onderwerp is, zal deze zeventig met tekst bedrukte pagina's in één ruk uitlezen. Opzettelijk gebruik ik hier niet de uitdrukking `met rode oortjes'.

Dit boek, geschreven door Hans Bennis, Leonie Cornips en Marc van Oostendorp heet Verandering en verloedering. Normen en waarden in het Nederlands. Iedereen die bewust spreekt, schrijft en leest heeft het erover. Of de tijd zal aanbreken dat `een mooie huis' als goed Nederlands zal worden erkend; of iedere taalverandering ook als taalverslechtering `moet' worden beschouwd, en zo ja, door wie; of we woorden uit andere talen, de allochtonen in onze woordenschat mogen toelaten, in welke mate, en of er dan een instantie is die het uitzettingsbeleid regelt. En dergelijke vraagstukken.

Het boek begint met een schijnbaar eenvoudige vraag: `Is fietsbel een goed Nederlands woord?' Ja, natuurlijk! roept iedereen. Zong Max van Praag niet al in 1952 zijn evergreen, inmiddels gouwe ouwe: `Als ik tweemaal met mijn fietsbel bel, nou dan weet je 't wel, (bis)'? Als er iets zuiver Nederlands is, dan dit. Dathaddugedach! Tot en met de dertiende druk komt het in de Grote Van Dale niet voor. Misschien een tegenvaller voor veel mensen die Van Dale `als de definitieve raadgever in taalzaken zien', veronderstellen de schrijvers. Vraag je een taalkundige of fietsbel een goed Nederlands woord is, dan `lacht die je vierkant uit'. Hij wil eerst weten wat je met `Nederlands' en met `woord' bedoelt, en hij wil geen uitspraak doen over goed en fout. Dit is de strekking van deze prikkelende verhandeling. De schrijvers hebben zich vast voorgenomen, terzijde van `goed' en `fout' te blijven, om daarmee wat velen als `verloedering' beschouwen dusdanig te relativeren dat het daarmee in de beschutting van de verandering terechtkomt.

Wie het er niet mee eens is, wordt op die manier naar het licht belachelijke privé-terrein van de stokpaardjes verwezen. Dat is me al een jaar of 65 vertrouwd. Als kind las ik Pietje Bell. Het oprichten van De Zwarte Hand, de ontdekking van de geheime kelder die tot rovershol bestemd werd, allemaal uitstekend. Maar in de dialoog liet Christiaan van Abkoude zijn helden soms Rotterdams praten, wat niet het Rotterdams van mijn tijd was, maar misschien dat van vóór de Eerste Wereldoorlog. En afgezien daarvan boezemden die fonetisch, verminkt opgeschreven woorden me weerzin in. Dat is iets anders dan ergernis. Hetzelfde met streekromans die in streektaal waren geschreven. Dat die mensen op klompen liepen, dat ze elkaar met een klomp sloegen, ja, dat hoorde erbij. Daarom hoefde de schrijver die mensen nog niet door hun klompen te laten praten. Dit is geen kwestie van `verloedering' – moralistisch beladen woord dat ik nooit anders dan tussen aanhalingstekens zal gebruiken – maar van duidelijkheid. Of: van een strijd tussen duidelijkheid en misplaatste authenticiteit. Polletje Piekhaar en Lord Zeepsop van Willem van Iependaal; ook heel leuk waarschijnlijk, maar verder dan de eerste bladzijde ben ik niet gekomen.

De schrijvers van dit boek en ik hebben iets gemeen. We hebben ons dagelijks brood te danken aan onze taal. Tot mijn grootste dagelijks plezier hoort het schrijven, het bouwen van een zin tot een mooie constructie. Zijn de woorden die ik heb gekozen de beste om uit te drukken wat ik bedoel? Zullen degenen voor wie ik zit te tikken, het niet alleen begrijpen maar er ook ontvankelijk voor zijn, zullen ze het herkennen (of ze het er mee eens zijn of niet)? Zit er muziek in? Soms denk ik aan grote voorgangers, tijdgenoten, en nu aan George Orwell, zijn essay Politics and the English Language. Het Engels, begint Orwell, is in een slechte staat. Aha, zullen sommige taalkundigen denken, die man gaat klagen, mopperen, zeuren. Ook die. Hij was er al vroeg bij.

Maar het gaat niet over woorden die `verkeerd' worden uitgesproken of van voor de schrijver onwelgevallige herkomst zijn. Hij laat weten dat hij simpelweg de pest heeft aan, onder andere, bedorven beeldspraak, tot op het bot versleten overdrachtelijkheden waarmee de gebruikers laten weten dat ze erbij horen en verder niets. `Dat is even schrikken.' Of `dat is even slikken.' Dat soort gelul in platitudes bedoel ik. Dat hebt u mij niet horen zeggen. Wat ik wil zeggen: ik erger me nooit en klagen of mopperen doe ik ook niet, want dat heeft weinig zin, zoals we dan zeggen. Hoeveel is weinig?

`Normen en waarden in het Nederlands' is verschenen bij de Amsterdam University Press, €9,95