Tel de haren op uw hoofd

De biografie over de negentiende-eeuwse Leidse theoloog Willem Rauwenhoff is een verrassend boek. Het geeft niet alleen een helder overzicht van leven en werk van de betrokkene, zoals je van een biografie mag verwachten, maar het biedt tevens in klare taal inzicht in de vrijzinnige theologie zoals die in de negentiende eeuw tot volle bloei kwam.

Voor hij in 1860 hoogleraar werd aan de theologische faculteit van de universiteit van Leiden was Rauwenhoff (1828-1889) predikant in achtereenvolgens Mijdrecht, Dordrecht en Leiden. Hij was bij uitstek een vertegenwoordiger van het modernisme, de vrijzinnige theologie waartegen de aanhangers van de gereformeerden van Afscheiding (1834) en Doleantie (1886) zich zo fel afzetten. Rauwenhoff wordt getekend als een sociaal bewogen man, antikatholiek en een echte bestuurder, onder andere van de Nederlandse Protestanten Bond.

Het negentiende-eeuwse modernisme hield in dat men het gezag van de bijbel op basis van historisch-kritisch onderzoek sterk relativeerde en dat men bijvoorbeeld ook niet in wonderen geloofde. Maar voor de vrijzinnigen betekende de afwijzing van traditionele geloofsvoorstellingen niet het einde van alle godsdienst. Heilig was voor hen `het geloof aan onszelf', het geloof in de waarheid van menselijke idealen: de `zedenwet' is in de mens gegrond en niet het resultaat van maatschappelijke afspraken. Ook geloofde men in een hoogste wijsheid die de loop der dingen bestuurt. Men zag dus nog wel reden voor aanbidding van God.

Boeiend is het om te lezen hoe in de negentiende eeuw ook bij de vrijzinnigen strijd werd gevoerd over de grondslag van het christelijk geloof. Er waren drie stromingen: echte rationalisten, die God als een pure abstractie beschouwden, daarnaast vertegenwoordigers van de ethische richting, voor wie `het zedelijke', het plichtsbesef, het wezenlijke van de godsdienst was, alsmede een stroming die de grondslag voor het bestaan van God zocht in het religieuze gevoel.

Voor Rauwenhoff, die al spoedig afstand nam van het pure rationalisme, waren geloofsvoorstellingen `gewrochten der dichtende verbeelding' die niet op een of andere manier ergens uit kunnen worden afgeleid of kunnen worden bewezen, maar gebaseerd zijn op vertrouwen. De waarde van een geloofsvoorstelling vergeleek hij met de waarde van een schilderij of een gedicht. Het waarheidsgehalte ervan wordt bepaald door het vertrouwen dat men heeft in de theoloog, de schilder, de dichter. Er is dus alleen een relatieve waarheid, er zijn geen absolute zekerheden. Tekenend zijn de woorden die Rauwenhoff kort voor zijn dood tot zijn familie zou hebben gesproken: `Het evangelie zegt: de haren uws hoofds zijn alle geteld. 't Is waar, dat is poëzie; maar in die poëzie ligt troost.' En uit een van Rauwenhoffs overgebleven preken: `Het kon wel zijn, dat de ingevingen van het vroom gemoed, al spreekt zij dan ook slechts in poëzij, in zinnebeeld of gelijkenis, der waarheid naderkwam dan de scherpzinnigste redeneering.' Het zijn woorden die herinneren aan de bespiegelingen van een hedendaagse theoloog als Kuitert, die bij C.O. Jellema's gedicht over het kerkje van Fransum schreef: `De dierbare woorden van voorheen, je kunt er wat mee omdat het verlangen er nog in zit, de adem van het hijgend hert dat smacht naar de waterstromen. Kruip er weer in, in die lege woorden, en doe er wat mee.' Troost uit lege metaforen.

P.L. Slis: L.W.E. Rauwenhoff, apologeet van het modernisme. Predikant, kerkhistoricus en godsdienstfilosoof. Kok, 368 blz. €29,90