Satan trapt op zijn staart

Enkele jaren geleden verscheen in Brazilië een reeks romans waarvan elk aan één van de zeven hoofdzonden was gewijd. João Ubaldo Ribeiro, die met zijn meesterlijke epos Brazilië Brazilië ruim tien jaar geleden wereldwijde faam verwierf, nam het deel over de wellust voor zijn rekening. Dat resulteerde in de roman Het huis van de gelukkige boeddha's die inmiddels ook in het Nederlands is verschenen. Met Bericht uit de vuurtoren heeft Ribeiro zijn repertoire tot alle menselijke doodzonden uitgebreid.

Opnieuw is deze roman geschreven als een dagboek of, zoals de Nederlandse titel wat correcter zegt, een levensbericht. Vanuit een vuurtoren die de nu mannelijke maar eveneens naamloze – hoofdpersoon op latere leeftijd voor zichzelf heeft gebouwd, blikt deze tevreden terug op een carrière van deugdverkrachting, en ook hij waant zich daarin een onovertroffen meester.

Met die laatste overtuiging bekent de schrijver van deze memoires zich in ieder geval tot de grootste van alle hoofdzonden, de hoogmoed. Keer op keer laat hij in snoevende bewoordingen weten zichzelf, als een Mohammed Ali van het Kwaad, the greatest te vinden, en daarmee begint de zondencatalogus pas goed. Liefst zag hij zich als de incarnatie van de duivel, waarvan zijn vuurtoren (Lucifer is de `lichtdrager') het symbool is.

Moord, onkuisheid en gramschap, in de vorm van een allesverterende haat, stuwen het verhaal voort. Ze zijn des te schokkender omdat zij begaan worden door een man die als priester in de roep van onschokbare deugdzaamheid staat. Eerst neemt die de vorm aan van een diepe vroomheid, later van sociale bewogenheid, want ook in de Braziliaanse kerk veranderen de tijden.

Die schijn vormt de behulpzame verhulling van een boosaardigheid die door godslasterlijk bedrog des te efficiënter kan zijn. Voor de schrijver van het levensbericht is zijn hypocrisie niet alleen een verworvenheid in het kwaad, maar ook een instrument bij de verwezenlijking van zijn meest perverse doelen. Zijn leven staat in het teken van de wraak op zijn vader, die hem als kind kleineerde en, daarvan is hij overtuigd, zijn moeder vermoordde om haar zuster te kunnen huwen. Is die wraaklust bevredigd, dan volgt de revanche op de vrouw die hem als minnaar afwees en die naast een grote schoonheid ook alle deugden van de katechismus belichaamt.

Wolf

Geleid door de stem van zijn dode moeder vergiftigt Ribeiro's hoofdpersoon zijn halfzusje en broer, stort hij zijn vaders bijslaap in het verderf en perverteert hij zichzelf tot een priesterlijke wolf in schaapskleren. Ieder die hem hindert brengt hij door achterklap ten val. De aan zijn geestelijke leiding toevertrouwde burgerdochters bezoedelt hij stuk voor stuk met een bijna religieuze overgave. De ene die daaraan niet toegeeft en die prompt zijn obsessie wordt, moet die onwilligheid bekopen met de dood in de martelkamers van de geheime politie, waarmee hij gemene zaak heeft gemaakt.

Ribeiro's vertellersvernuft staat er borg voor dat die laatste moord het schrikwekkende hoogtepunt wordt van een carrière in het kwaad, ook al is de eigenlijke schanddaad van zijn hoofdpersoon nog tamelijk mild in vergelijking met wat er werkelijk in dat soort kerkers gebeurt. Een nog opvallender literaire kunstgreep past hij toe wanneer diens vader het moet ontgelden. Plotseling gaat het proza over in – door Harrie Lemmens schitterend vertaalde – homerische poëzie, waarin de zoon zijn gal spuwt over de man die zijn jeugd vergalde, en hem de dood aanzegt.

Die stijl- en genrebreuk tilt het verhaal, dat nogal voorspelbaar is en minder schrikwekkend dan de hoofdpersoon (en misschien de schrijver) wel zouden willen, boven zichzelf uit en maakt het tot een verwarrende vraag over de betekenis van de moraal zelf. Homerische helden, in wier voetsporen de hoofdpersoon hier kennelijk wil treden, beantwoorden immers helemaal niet aan de deugdencatalogus die de christelijke beschaving zo hoog in het vaandel heeft.

Niet medelijden, liefde, nederigheid en zelfverloochening geven de homerische wereld richting, maar trots, eer, kracht en trouw. Het zijn voor een deel ook de waarden die Ribeiro's hoofdpersoon volgt, al worden zij door zijn eigen wil tot bezoedeling bewust gecorrumpeerd, als een schril protest tegen een in zijn ogen doortrapte wereld. Maar nieuw zijn zij in Ribeiro's oeuvre niet. Al in zijn debuutroman Sergeant Getúlio, waarmee hij naam maakte voordat hij met zijn Brazilië Brazilië definitief doorbrak, speelden zij een hoofdrol.

Rechtlijnigheid

Met de primitieve bruutheid van de geboren soldaat begeleidt de hoofdpersoon, sergeant Getúlio, in dit boek een politieke gevangene op een transport dwars door het Braziliaanse binnenland. Waarom weet hij niet en het interesseert hem ook niet. Het enige wat hem drijft is het vervullen van zijn primitieve plicht, die zijn eigen samenhang en rechtlijnigheid heeft. Getúlio is de man die handelt naar eer en slechts daarom naar een geweten dat niets van het christelijke meededogen heeft. Aan die waarden houdt hij vast, desnoods tot de dood erop volgt.

Die rechtlijnigheid kent de hoofdpersoon van Bericht uit de vuurtoren niet. Hij speelt leentjebuur bij een moraal van trots en eer die de moderne wereld vreemd geworden is, maar niet om als een verborgen cultuurrelativist de inwisselbaarheid van de een tegen de ander te bepleiten. Hij mengt, integendeel, beide moralen om ze van hun samenhang te beroven en in die verwarring, waarin geen enkele waarde meer vanzelfsprekend is, alletwee uit de hengsels te lichten. Hij is een gezondene van de antimoraal.

Maar juist daarin trapt deze would-be Satan op zijn eigen staart. Zijn verhaal leest als een mengsel van apologie en prediking, en daarmee sluipt te midden van het kwaad vanzelf het goede weer binnen. De lezer moet ervan overtuigd raken dat het tweede schuilt in het eerste, maar daarmee wordt Ribeiro's dagboekschrijver van de weeromstuit zelf een idealist. Niet alleen omdat hij een doel heeft dat – minstens in zijn eigen ogen – het nastrevenswaardige en dus het goede is. Maar ook omdat hij in zijn ijver en toeleg simpelweg beantwoordt aan deugden die vanouds al de ontkenning van de hoofdzonden zijn.

Hoe deze moralist van het immorele het ook wendt of keert, een rigoureuze bekering tot het kwade zit er eenvoudigweg niet in. Op hebzucht en afgunst is hij nauwelijks te betrappen, en op traagheid al helemaal niet. Verre van moreel lamlendig te zijn (volgens de moraaltheologische boeken het kenmerk van deze laatste ondeugd) is hij een bevlogene die zijn ideaal nastreeft met voorbeeldige toewijding, ook al is die een betere zaak waardig.

Doodzonden kan een mens in overmaat bedrijven, maar zo leert deze parabel, nooit allemaal tegelijk. Het `radicale kwaad' waar de twintigste eeuw begrijpelijk genoeg de mond van vol heeft, is (letterlijk genomen) onbestaanbaar. Het goede grijpt ons altijd weer in het nekvel. Hoe afschuwwekkend de werkelijkheid ook mag zijn, Ribeiro's intrigerende, maar niet altijd verrassende parabel bewijst dat de goedheid de norm is waaraan het kwade wordt afgelezen en niet andersom.

João Ubaldo Ribeiro:

Bericht uit de vuurtoren.

Vertaald door Harrie Lemmens.

De Bezige Bij, 272 blz. €18,90