Pushen helpt niets

Met de solovoorstelling `Vrouwen van Picasso' maakt Will van Kralingen zich na zeventien jaar los van het Nationale Toneel. ,,Ik wil meer, verdomme nog aan toe.''

Fernande, Gaby, Jacqueline. Drie namen, drie karakters, drie levens. Met één gemene deler: ze kruisen Pablo Picasso's tumultueuze weg. Will van Kralingen speelt deze Vrouwen van Picasso straks in een solovoorstelling en nu, bij een doorloop, roept ze: ,,Het gaat niet! We kunnen beter stoppen!'' Paniek bevangt haar omdat de mise-en scène ineens is omgegooid. Weg tekst, weg zelfvertrouwen. De toch al tere Fernande valt in duigen. Maar een monoloog later is de paniek vergeten. Gaby daagt uit, zet een grote mond op, geniet van haar verleidelijke lichaam. En Will van Kralingen in haar frêle jurk kent geen gêne meer, ze ís die vrijgevochten vrouw, die toch niet ordinair wil worden: met weerzin toont zij haar door de auteur verplicht gestelde blote been.

De Ier Brian McAvera schreef voor acht vrouwen van Picasso monologen. Van Kralingen en Sinke kozen er degenen uit die hem in zijn uiterste levensfasen hadden leren kennen: vanaf zijn bohémien-start in Parijs (Fernande) tot en met zijn ziekbed en dood aan de Rivièra (Jacqueline). Fernande wordt al snel gedumpt, Gaby krijgt een huwelijksaanzoek van Picasso maar kiest toch voor een ander, en Jacqueline weet juist gedaan te krijgen dat hij met haar trouwt, door slinkse zelfopoffering en voltijdse seksuele beschikbaarheid. De vrouwen vertellen hun verhaal als zij al dood zijn. Fernande stierf in een armzalig huurkamertje. Gaby overleed aan de zijde van een succesloze houtgraveur. Jacqueline pleegde zelfmoord toen haar genie er niet meer was om voor te zorgen. Dat perspectief vanuit de hemel geeft de tekst een weemoedige humor. Alles is voorbij – behalve de passie voor Pablo.

Op de zolder van de Haagse schouwburg gloeien zijn ogen je vanaf een beeldscherm onvermoeibaar tegemoet: bezeten ogen en bezittersogen, ogen die koesteren en kapotmaken, vieze ogen en visionaire ogen, gevaarlijke ogen kortom. Will van Kralingen kijkt er na de doorloop nog één keer naar om en vervangt haar witte doodskleren door iets levends met veel vrolijk rood. ,,Ik zou óók voor hem zijn gevallen'', zegt ze. ,,Omdat hij kracht uitstraalde, intrigeerde, op zichzelf kon zijn. Zijn werk grijpt je bij de strot. Zijn bozigheid zou mij hebben geboeid. Maar als een vrouw hem begon te vervelen had hij er direct weer iemand naast. Hij genoot ervan als twee van zijn vrouwen elkaar in de haren vlogen. En als hij met een minnares naar het zuiden ging, dan zorgde hij er wel voor dat zijn vrouw dat wist. Zelf kon hij met niemand stoppen en hij kon het ook niet accepteren als een vrouw met hèm stopte. Hij moest constant bevestigd zien dat het zwakke geslacht hem geweldig vond. Daar zou ik uiteindelijk aan onderdoor zijn gegaan. Pittig mannetje!''

Zijn genialiteit, peinst Van Kralingen, zat hem in zijn wispelturigheid, zijn monomanie, zijn vuur en concentratie. Of zij daarvan iets heeft, van dat geniale? ,,Helemaal niets, vrees ik. Hoewel, dat wisselvallige heb ik ook, ik ben een genie in stemmingen. Ongrijpbaar soms, daarin.''

De 52-jarige actrice is al een kwart eeuw aan het toneel. Bij De Appel en sinds 1987 bij het Nationale Toneel ontwikkelde zij een gracieuze stijl, met een perfecte beheersing van haar lenige lichaam en een feilloos gevoel voor lyrische tragiek. Ook zij moet dat vuur en die concentratie kennen, zou je denken. Maar zo eenvoudig ligt het niet.

,,Als ik met Picasso bezig ben weet ik weer hoe heerlijk het is om je te verdiepen in iets dat je interesseert. Helaas is dat geen vanzelfsprekendheid in de alledaagse routine van dit bedrijf. De plichtmatige kant van het vak begint me op te breken. De rollen die ik niet heb gekozen, de stukken die van mij niet hoeven, de regisseurs die mij niet liggen, zoals dit seizoen Jürgen Gosch: dat mag niet meer gebeuren. Mijn mondhoeken mogen niet naar beneden groeien. Dus ik heb besloten om te gaan freelancen.''

De trouwe Will van Kralingen die het Nationale Toneel vaarwel zegt? Verbijsterend nieuws. ,,Het vergaat mij zo'n beetje als die Gaby. Ik word steeds zelfstandiger. Dan groei je uit je relatie. Ik kan het niet meer laten om me met de dramaturgie van een stuk te bemoeien, of met het spel van de anderen, en dan word je weleens op je vingers getikt. Het is tijd voor een grotere inbreng. Eigen mensen kiezen. Zelf stukken zoeken en zelf bepalen welke rol geschikt is voor mij of voor de ander. Zelf verantwoordelijkheid dragen: dan wordt in elk geval het werkproces goed.''

Verdrietig

En nu, hoe goed wil ze zijn op de bühne? Ze friemelt aan haar knotje, blonde haren pieken eruit, haar schichtige ogen krijgen een vochtige glans. ,,Die vraag maakt me verdrietig. Ik wil niet dat de toeschouwers straks zeggen: `Wat heeft ze een hoop tekst uit d'r hoofd geleerd, wat knap!' Ik wil verdomme nog aan toe dat er meer over te zeggen valt. Maar dat is nog niet zo, dat weet ik, en ik ben bang dat het niet zo wórdt. En ik hoor mezelf dat ook tien jaar geleden zeggen, in de kantine: `Luister eens meneer de regisseur, ik ben geen kruideniersdochter, dit is muziek, dit moet ergens bovenuit stijgen.' En natuurlijk kom ik er altijd te laat achter hoe dat dan wel moet, meestal pas na zestien, zeventien voorstellingen.''

Ze kan zichzelf goed de grond in praten, maar soms, geeft ze toe, kent haar spel magische momenten. ,,In Wie is er bang voor Virginia Woolf had ik dat en in de monoloog Else. Zo'n moment voelt voor mij contourloos aan, alsof ik in kleine deeltjes overal in de ruimte ben. En juist dan heb ik het grootste contact met de zaal.'' Het publiek is voor haar heel belangrijk. ,,Ik loop altijd de zaal in voordat ik ga spelen, tot en met de achterste rijen, omdat ik wil zien wat zij zien. Dat helpt me als ik op het podium sta.'' En wat doet ze als de sfeer in de zaal slecht is? ,,Dan zeg ik tegen mezelf: `Ga maar door, probeer de zaal rustig te krijgen, pushen helpt helemaal niks.''' Maar wat helpt dan wel?

,,Je spel waarachtig houden. Constant controleren of je niet in ondoordachtheid vervalt of in loze gebaren. Niet als een overspannen kreeft over het toneel rennen of zomaar wat roepen, maar luisteren. Niet vooruit denken of oordelen vellen maar, alwéér, luisteren. Terwijl je luistert gebeurt er iets in je lijf, je denken verandert, dus klinkt je antwoord levendiger en organischer dan wanneer je níet luistert. Acteurs die op het laatste zinnetje van een collega wachten en dan hun eigen beurt afwerken: afschuwelijk is dat. Als je echt luistert, dan komt er ook iets echts uit.'' Voor zover mogelijk bij theater, dat per definitie met schijn en werkelijkheid, met verhulling en onthulling, met maskers en ontmaskering speelt.

,,Dat lijkt zo, voor jullie in de zaal. Maar wij op het toneel kunnen ons geen maskers veroorloven, bij ons staan alle porieën wijd open. We horen alles, ook de geluiden die jullie maken. We horen gehoest, het geritsel van de verkeerde plastic zakjes, we horen commentaar, strelend en niet-strelend. Je staat daar met je eigen oren en je eigen hersens en je eigen lijf. En daar moet je het mee doen. Zoals een danser een wereld kan verplaatsen door de manier waarop hij lijnen door de ruimte trekt, met maar één gebaar, zo willen wij het publiek met één woord of één zucht raken.''

Als het haar niet lukt moet ze dikwijls huilen. ,,Daar zijn ze hier wel aan gewend. Ook aan mijn uitgelatenheid in andere gevallen. Ik ben zóveel verschillende mensen. Nu eens een zielig vogeltje dat sneu in de hoek zit, dan weer een autoritaire zak, nu eens met grote twijfels, dan weer druk en driftig. Ik heb er nooit naar gestreefd om evenwichtig te worden en alsmaar braaf en leuk. Een zekere vorm van gekte is toch wel aantrekkelijk hoor, een beheerste vorm van gekte. Met extreme vreugde, extreem verdriet, extreme woede. Die extremen moet je in je werk steeds opzoeken, dus kun je ze beter ook maar alvast privé bezitten.''

Privé. Ze komt uit een katholiek nest, moeder huisvrouw, vader leraar, niet vrij van humor maar streng, en weinig te spreken over de korte rokjes die Will als puber droeg zonder met de gevolgen ervan om te kunnen gaan. Ze heeft geen man, ze was getrouwd met Appel-acteur Eric Schneider en samen met hem heeft ze twee al grote kinderen. ,,Die heb ik bewust gekregen, dus zij gaan voor, altijd. Maar ze zijn ook een deel van mijn werk. Zij hebben mij opgevoed. Als ik hen niet had gehad was ik richting gesticht geschoven. Omdat ik me dan helemáál van die harde toneelwereld had afgesloten en ik me heel egocentrisch had laten gaan.''

Ouderdom

Bang voor de ouderdom is ze niet. ,,Ik hoor actrices steeds zeggen: er zijn zo weinig rollen voor vrouwen van rond de vijftig. Daar merk ik nog niet veel van. Vroeger was mijn rijzige fysiek een beperking omdat ik niet gevraagd werd voor de rol van een mollige kroegdame of een potige Mutter Courage. Maar nu zou dat leeftijdloze lijf weleens in mijn voordeel kunnen gaan werken.''

Nog steeds wordt ze meestal voor tragische rollen gevraagd. Dat vindt ze niet altijd leuk. ,,Maria Stuart, Hedda Gabler en Martha in Wie is er bang...: ze maken je verrekte eenzaam. Want die vrouwen doen dingen die niet goed zijn, om zichzelf te pesten. Ze houden niet van zichzelf en kunnen de slechtheid die ze oproepen niet meer stoppen. Dat is de kern van elke tragedie. Het gebrek aan eigenliefde brengt je in een heilloos isolement. Dus kom je tijdens het repetitieproces alleen te staan, helemaal alleen. En dat is niet omdat ik het wil of omdat de andere acteurs besloten hebben om mij te mijden, het is omdat je niet meer bent te helpen.''

De ellende is wel ergens goed voor: ,,Toneel zorgt voor innerlijke beschaving. Omdat je in aanraking komt met verbeelding, met schoonheid, met ideeën die jij niet hebt, met oplossingen of juist met voorbeelden van hoe het niet moet. Toneel biedt herkenning en troost en ergernis en hopelijk ook vermaak.'' Aangezien er ,,niks fijner is dan mensen te laten lachen'' wil ze als clown haar doodskist in. ,,Een rooie neus op. En de mondhoeken flink omhooggelegd. Met een brede grijns naar gene zijde: dat is mijn ideaal.''

`Vrouwen van Picasso', regie Digna Sinke is te zien van 4 februari t/m 10 april in Het Paradijs van de Koninklijke Schouwburg te Den Haag. Inl.: 0900-3456789 of www.nationaletoneel.nl.@

`Als ik geen kinderen had gehad

was ik richting gesticht geschoven'

`Je moet niet als een overspannen kreeft over het toneel rennen'