Nooit valt de poes van Wienecke

De twee baksteendikke delen van de nieuwe poëziebloemlezing van Gerrit Komrij lijken de strenge samenhang van een woordenboek te hebben. Dagen zit je als een waanzinnige te lezen en te turven. Tot je het boek blind openslaat bij een willekeurig gedicht over een lieflui gestrekte poes. Terugbladerend verdwijnt dan ieder gevoel van tijd.

Ik geef het niet gemakkelijk toe, maar het is wel zo: ik lees graag in woordenboeken. Niet zomaar om iets op te slaan, gehaast, staand, op zoek naar een omschrijving, maar zittend, aan een tafel. Potloodje in de hand, papiertje ernaast, krul om de lippen. Want er staat veel moois in woordenboeken. Garre is gewestelijk voor reet of kier. Ik noteer: `de deur staat op een garre.' Garnaat is de hondenfok. Drie gars is een bunder. Het is tovertaal, van een onbegrijpelijke schoonheid. Een garnaal is een omroepster op luchthavens. Elucubratie. En een elleboogschakelaar is een schakelaar die zo is ingericht en geplaatst dat hij met de elleboog bediend kan worden.

Het duurt nooit lang of ik treed buiten mezelf en zie me dan zitten: man leest woordenboek. Karikatuur van de neerlandicus. En dan duurt het ook nooit lang of meneer Kipping duikt voor mijn geestesoog op: prof. dr. E.I. Kipping, neerlandicus, met snor, leesbril en vulpen, een creatie van Kees van Kooten, die het liefst vanachter een hoge stapel woordenboeken en spraakkunsten gemoedelijk, maar kritisch commentaar op hedendaags taalgebruik gaf. `Ik heb studenten die denken dat een boutade een in een boetiek gehouden tirade is en een retirade een op het toilet afgestoken boutade!'

Door omstandigheden heb ik enkele dagen vrijwel onafgebroken in de Kipping-houding mogen doorbrengen. Nu niet achter een driedelig woordenboek, maar achter de twee baksteendikke delen van de nieuwe poëziebloemlezing van Gerrit Komrij. De bloemlezing is het woordenboek van de literatuur, zou ik voor deze gelegenheid wel eens willen beweren. Dezelfde dwingende samenhang. Dezelfde logische volgorde, van alfabet of chronologie of beide. Vorm en afspraak. De sfeer van strenge selectie en scherpe uitlichting, het gezag van een naslagwerk. Webben van thema's, toevallige samenhangen en goed geregisseerde verwijzingen.

Ik zat het, met dezelfde waanzinnige krul om de lippen, allemaal te lezen en te tellen en te turven, toen ik ook hier last van uittredingsverschijnselen begon te krijgen, en een op Kipping gelijkende letterkundige zich zag aftekenen, driftig administrerend, gebogen over vragen als: telt een kwartet kwatrijnen nu als één of als vier? Mag het tweeregelige vers van Lukas de Wilde, `Op de godsdienst', uit Multatuli's Woutertje Pieterse (`De godsdienst is een goede zaak,/ en geeft het mensdom veel vermaak') wel een net zo dik turfstreepje krijgen als het zich over veertien bladzijden (91 kwatrijnen, 364 versregels) uitstrekkende mega-vers `Avondmijmering' van Tollens? Breng ik het verdwijnen van de dichter Anton Ent via de plustabellen en een ongemakkentoeslag nog in rekening bij de scorelijst van zijn alter ego Marieke Jonkman? Moeten de mensen niet weten dat dichteres M. Vasalis met negen gedichten dan weliswaar net niet is opgenomen in de eredivisie van superdichters die met het maximum van tien gedichten zijn vertegenwoordigd, maar dat zij daar tussen de vorige herziening (1996) en nu wel toe behoord heeft? En dat deze degradatie van tien naar negen misschien niet al te zeer betreurd hoeft te worden als we bedenken dat Vasalis in de eerste druk van Komrijs bloemlezing (1979) en in de eerste herziening daarvan (in 1987) goed was voor maar acht gedichten? Degradatie nu was in feite promotie ten opzichte van acht jaar geleden. Intussen bleef de prangende vraag: was Vasalis voor Komrij nu een groot dichteres of een net-niet-groot-dichteres of een af-en-toe-groot-dichteres? En hoe zou dit geduid kunnen worden in het licht van de totaaluitkomsten, na toepassing van de correctietabel?

Hier ergens, in de denkbeeldige cijfers achter de komma, begon de waanzin van het geturf zich op te dringen. Prof. dr. Kipping zou het niet geloven, maar vermoedelijk had Komrij ook hier niet veel anders gedaan dan herlezen en, zoals hij het in zijn voorwoord noemde, de koek maar weer eens anders snijden. Naast de systematische tel- en turfmethode begon zich nu vanzelf een wat minder dwangmatige methode aan te dienen, die zich nog het best liet omschrijven als de blindemantechniek. Ogen dicht, hoofd in de nek en blind in het dikke boek grijpen – en vanaf dat punt gewoon achterstevoren gaan bladeren.

Wel eens wat van C.A. Wienecke gelezen? Hij (of zij) leefde van 1874 tot 1948. Als het aan Komrij ligt zal Wienecke de geschiedenis ingaan met maar één gedicht – een ontroerend gedicht over een poes. Zo heet het ook: `De poes'. Het gaat om een grijs exemplaar dat zich, voor het oog van de dichter, stil en zeer secuur over de smalle leuning van het balkon beweegt. De poes is `glinsterende in de zon'. Dichterlijk gezegd. Er is geroezemoes van karren beneden, er zijn schalkse kinderen op straat, ze fietsen door de zon `als schitterende kevers'. Ook mooi gezegd. De poes ziet en hoort het niet, zij `zit mollig op het latwerk in gesoes/ zo kallempjes of zij niet vallen kon.' Aan alles valt te merken dat de dichter deze poes wel kent, en een groot zwak voor haar heeft. Op inhoudelijke gronden zou je kunnen denken dat het gedicht nu wel aan zijn afronding toe is, maar iedereen die wel eens een poes op een balkon in de zon heeft zien zitten weet dat de intensiteit van zo'n gebeurtenis niet in acht regels gevangen kan worden. Na een witregel volgen er nog eens zes, waarin de poes nog weer eens voorbij komt gelopen (`kronklend de staart, als een verheugde slang') om vlug op het kozijn te springen en daar opnieuw te gaan liggen, `lieflui gestrekt', en met geen andere zorg dan de dag in lang en hevig gemijmer langs zich heen te laten gaan. `De zon is bij haar stille dromen het gezang.'

Met die mooie, wonderlijke regel sluit het sonnet af. Ik lees het, honderd jaar later, en sta even met de mond vol tanden: getroffen door niets meer of minder dan een eenvoudig gedicht over een poes. Aandoenlijk sonnetje, charmant verteld, geestige ondertoon, lichte dichterlijke toets. Daarmee wordt een soezende poes nu alweer een eeuw lang uit de tijd getild. Natuurlijk zie ik ook wel dat dit inhoudelijk misschien neigt naar biedermeierverheerlijking, achtertuintjesromantiek, lofzang op het burgermansgeluk, maar voor mijn gevoel (bewijzen is altijd lastig) onttrekt het zich daar door allerlei fijne details juist aan. Ik herbeleef een doezelende dag vol zon en mijmerij, gezien door de ogen van het doezeldier bij uitstek, de poes, in veertien regels die na honderd jaar nog helemaal niet gedateerd zijn geraakt: daarin schuilt van zichzelf al iets ontroerends. Het wordt nog iets ontroerender als je ziet dat dit ene sonnet op dit ene ijle gegeven het enige is waarmee de volgens mij verder volslagen onbekende dichter of dichteres Wienecke voor de vergetelheid wordt behoed.

De poes van Wienecke wordt voorafgegaan door een kort fragment van André Jolles, ook nog nooit van gehoord, genomen uit Het eerste spel van Michaël de Aartsengel, dat in 1897 verschenen moet zijn. Mooi fragment! Balthasar spreekt van de vogel Phoenix, de grote mythevogel die zo goed huilen kon. `Tranen rijker dan wonderwateren/ hebben zijn gloeiogen geschreid.' Balthasar ook spreken doen in Klukkluktaal: `En zijn lied was van het onbereikbare,/ en zijn wil was verandering.'

Grijnslachend teruggebladerd naar weer een andere onbekende dichter, Jules Schürmann, ook met maar één gedicht opgenomen: een geweldig komisch vlinderfladdervers waarin de dichter ons onbekommerd fluitend en zingend komt mededelen van het grote geheime wonder dat in het leven is, maar waarvan hij ons verder ook niets meer weet te melden dan dat het er soms is, en soms ook weer niet. Is het louter troubadoursgehuppel, of een quasi luchtig vers met toespelingen op de homoseksuele liefde? Een jongen die op zijn fluit blaast? `Vaak in mijne mijmerij/ waart gij onverwacht in mij?'

Verder gaat het weer, naar buurman Joannes Reddingius. Iets bekender van naam misschien, maar ook Reddingius wordt nooit meer gelezen. Hoe jammer dat is, bewijzen de vier gedichten die Komrij uit zijn bundels lichtte. Een expressief vers over het onweer in de stad, en over de angst van de mensen, niet te dicht bij het raam, voor bliksem en donder. Een simpel liedje over een tocht door de regen, 's nachts, door de stad, op de wijze van Ramses Shaffy en Rob de Nijs. Een stevig portret van een jonge stier, gezien in de wei, `ik zag de poten-buiging en zijn gaan/ en zijn plots stilstaan, stil bij de rivier'. Reddingius spreekt hem toe, met `blijde woorden', en het beest kijkt hem lang na, `'t was alsof hij begreep mijn gezindheid.' Ook dit lijkt misschien een geval van zuiver realisme, maar ook hier treft weer, zoals erg vaak bij Komrij, een zweem van mysterie, sensibiliteit en verwondering. Er hangt in deze bloemlezing vaak iets in de lucht.

Naast Reddingius zijn er twee gevoelige, ouderwetserige gedichten van Victor de Meijere, maar daarnaast weer een serie expressionistische uitboezemingen van Théo Reeder, vol bizarre neologismen en samenstellingen: `Zwillende-tuimel-ijling Beseffings knal.' Enzovoort. Naast Reeder duikt ene Edmond van Offel op, vol Gezelleske wendingen, maar wel mooi: wollen wolkskens, bloemenschermkens en een kladde mussen.

Enzovoort. Zeven onbekende dichters op rij, alle zeven de moeite waard. Lees je verder terug, dan kom je bij Rensburg en Charivarius. Ook interessant. Lees je verder vooruit, dan vind je de geweldige Jopie Breemer, met zeven humoristische invallen.

Verrassing volgt hier op verrassing. De grootste verrassing is wel dat het gevoel van tijd verdwijnt. Dan bedoel ik niet alleen dat je in ieder gedicht afzonderlijk zou kunnen verdwijnen, of urenlang rondzwemmen in deze zee van poëzie zonder op je horloge te kijken, maar ook en vooral dat ieder gevoel voor gedateerdheid verdwijnt. Hoe dat nu precies kan weet ik nog steeds niet. Ik denk dat een groot deel van het effect toegeschreven mag worden aan het onbecommentariëerd, gelijkelijk, zonder periodisering of aanduiding van stroming of beweging naast elkaar aanbieden van al deze gedichten. Dat maakt de lezer vanzelf onbevangen – en dan zal hij vanzelf, per los gedicht, met eigen ogen vaststellen dat er altijd al allerlei soorten poëzie door elkaar heen geschreven werden, vaak zelfs door één dichter, vroeger en nu. De hele negentiende eeuw bevindt zich dan veel dichter bij het heden dan altijd gezegd wordt. En misschien is het zelfs wel omgekeerd: dat zogenaamde heden van ons zou dan net zo goed nasleep kunnen zijn van een vorige of voorvorige eeuw.

Het laatste gedicht uit de bloemlezing is van Quirien van Haelen, de jongste dichter van allemaal, geboren in 1981. Van hem koos Komrij één gedicht, ook alweer een geweldig geval: `Côte d'Azur'. Het begint als volgt:

Brigitte, Verona, Eva, Kim, Marieke

Aurora, Mäde, Tina, Claire, Yvon

Yolanda, Nina, Daisy, Sue, Manon

Martine, Lilly, Nancy, Annemieke

Let op het ritme. Mooi rijm ook. Je ziet het landschap meteen voor je. De dichter zou wel verder willen gaan met het bezingen van zijn vakantie aan de azuren kust, en doet dat aanvankelijk ook nog wel ijverig, maar moet halverwege de zevende regel dan toch echt vaststellen dat de lijst met veroveringen uitgeput is. Daarna volgen enkele sprekende witregels, waarna de reislustige dichter in de twee slotregels schuchter terugkeert met dit voorzichtige plan:

Het volgend jaar een busreis naar Lloret

Wellicht haal ik daar wél een heel sonnet

`Côte d'Azur' is gebaseerd op een vondst. Het is een slimme variant op het opsommingsgedicht. Is het nu ook een typisch modern gedicht? Dat lijkt me niet. Het mooie van Komrijs bloemlezing is dat er op allerlei plekken varianten op het procédé van de opsomming, en het spelen met de sonnetvorm te vinden zijn, van Kal tot Loosjes, en via Hecker en Komrij zelf weer terug. Het is misschien nog wel krasser: het zou wel eens zo kunnen zijn dat Komrij, door 25 jaar geleden al zoveel aandacht te hebben voor de grap van de opsomming, daarmee onbewust de aanzet heeft gegeven tot het gedicht waarmee hij nu zijn keuze kan afsluiten. Dan zou hij in dit geval heel letterlijk hebben gedaan wat hij met zijn bloemlezing figuurlijk zeker heeft gedaan: het ouderwetse weer modern maken.

Opheffen van de grenzen tussen oud en nieuw, verwijdering van vastgeroeste schotten, verruiming van de blik: het zijn grote woorden, maar toch kom ik daarop uit als ik mijn opwinding bij het lezen van dit megaboek probeer te verklaren. Komrij heeft, in 1979 al, het heden naar achteren uitgebreid. Toen had hij al besloten dat de moderne Nederlandse poëzie niet bij de Vijftigers begint, of bij de modernisten uit de jaren twintig, of bij de Tachtigers, maar nog veel eerder: rond 1800. Nog beter is het om te zeggen dat in Komrijs ogen de moderne poëzie eenvoudigweg niet bestaat. Of, maar dat komt op hetzelfde neer: dat alle poëzie modern is. In zekere zin is ieder gedicht altijd actueel.

Ik hoor het graag, en er hoort zeker een gevoel van bevrijding bij en van enorme relativering. Alles kan in elkaar overlopen, alles kan naast elkaar bestaan, in deze grote poëziezee, maar het betekent ook dat ieder gedicht op zichzelf bekeken kan worden. Dat is nog moeilijk genoeg. Ik las een prachtig gedicht van ene J.S. Niehoff. Het heet `Aquarium', gebundeld in `Vuurschip', verschenen in Assen, 1955. Daarin kijkt de dichter door de wanden van een aquarium naar binnen, volgt `het waaierspel van tere banderollen'. Mooi beeld. Hij ziet de overeenkomsten met de grote zee, `de moederzee', als een echte symbolist. Hij gaat op in `deze wiegelende wereld', waar `de driften in een wuivend sierkleed leven' en `lenige zilverlijven langs elkander zweven'. En gaandeweg verliest hij zich er in, als een echte onthechte dichter, `afgesneden van 't waarom/ van mijn begeerten en mijn doen.' Heel mooi, van een heel onbekende dichter, en toch mocht ik er van mezelf niet al te enthousiast over zijn: omdat het zoveel lijkt op het gelijknamige sonnet `Aquarium' van J.A. dèr Mouw, geschreven enkele jaren voordat Niehoff, in 1923, ter wereld kwam.

Intussen was ik weer wel ongeremd verliefd geworden op de poëzie van ene Augusta Peaux, van wie ik niet meer weet dan dat ze leefde van 1859 tot 1944. Komrij koos acht gedichten van haar, allemaal even bijzonder. Muziek, vrije regelval, onverwachte overgangen, ritme en verrassende beelden, zoals in `Oude huizen aan de kade':

Zo staren lichtschuwe uilen in de zon,

Zoals die grauwe huizengevels staren

en suffen door de dag als oude vogels.

Maar met de avond staan zij scherp van bek

en scherp van klauwen op de winterlucht,

die gelig vlakt in 't Westen, effen, koud.

Zeearenden, zo zien zij over 't water

heel donkere, grote beesten.

Maar het valt niet mee om verliefd te blijven op Augusta. Wat ik wist veel te weinig van haar. Volgens Wam de Moor, 25 jaar geleden al, bij de verschijning van de eerste editie van Komrijs bloemlezing, was zij niet meer dan een epigoon. Geen vroege Tachtiger, wat ze op grond van haar leeftijd zelfs nog had kunnen zijn, maar een `excellente plagiatrix' die pas rond haar zestigste begon te dichten, toen de Tachtigers en de Negentigers en de dichters van de Generatie van 1910 alweer wat anders waren gaan doen.

Het is voor een gedicht nooit te laat om ontdekt te worden. Zie Niehoff, zie Peaux. Maar kennis is ballast, soms. Zie ook Niehoff, zie ook Peaux. Soms moet je dan maar hopen op de heilzame werking van het vergeten. Reddingius, Van Offel, Rensburg, Wienecke en al die andere dichters van wie ik meende dat ze me nu zo hadden verrast: ze waren ook al in de eerdere edities van Komrijs bloemlezing te vinden. Ik moet ze vergeten zijn, of ze nu pas voor het eerst hebben gezien. Dat is dan misschien het enige bezwaar dat tegen deze grote, in de loop van vijfentwintig jaar verdubbelde bloemlezing is aan te voeren: het is een schatkist, maar er zitten te veel parels in.

Gerrit Komrij (samenstelling): Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten.

Bert Bakker. Twee delen. 2280 blz. €29,95 (pbk.), €49,95 (geb.)