Machteloos om er helemaal bij te horen

Toen schrijfster en criminologe Andreas Burnier / C.I. Dessaur (1931–2002) onverwachts overleed was er geen titel van haar leverbaar, niet één van haar geweldige en ooit baanbrekende romans, geen tittel of jota van haar wetenschappelijke werk, niets van haar veelal omstreden essays waarin ze de vloer aanveegde met `seksefascisme' (achterstelling van vrouwen), `euthanasiasten' (voorstanders van vrijwillige euthansie), pleitbezorgers van gelegaliseerde abortus, atheïsten en de geestelijke terreur van links. Dankzij Ineke van Mourik, de laatste levenspartner van de begin jaren zestig als homoseksueel `uitgekomen' Burnier, en Chris Rutenfrans, collega criminoloog, vriend en bewonderaar van de schrijfster, is nu, ruim een jaar na haar dood, een fors gedeelte van het werk beschikbaar gekomen: drie romans in één band en een dikke bundel essays, afgewisseld met interviews en voorafgegaan door een korte biografie. Weliswaar onthoudt Rutenfrans zich hierin als vriend en bewonderaar van alles wat naar kritiek zou kunnen zwemen, zijn biografische schets verschaft niettemin een goed inzicht in Burniers Werdegang.

Helaas bevat de bundel bellettrie geen verantwoording, zodat in duister blijft gehuld waarom Dessaurs onder het pseudoniem Andreas Burnier gepubliceerde opzienbarende debuut Een tevreden lach (1964), dat generaties vrouwen heeft gevormd, er niet in is opgenomen. Des te vreemder omdat de titel van de verzamelde essays en interviews, Een gevaar dat de ziel in wil, ontleend is aan deze roman: `Elk boek is een gevaar. [...] Elk boek is een gevaar dat de ziel in wil [...]. Wie de ziel in wil, moet door de omgekeerde wereld heen, door de leegte, door het niets', staat in het eerste hoofdstuk van Een tevreden lach.

Bepalend voor Burniers ontwikkeling waren haar ervaringen als joods oorlogskind, dat in drie jaar op zestien adressen zat ondergedoken, haar homoseksualiteit in een tijd dat die maatschappelijk niet was geaccepteerd (tot haar ellende was ze zelfs tien jaar getrouwd) en de uit angst voortgekomen ontkenning van haar joodse wortels. Wie haar felle aanklachten tegen `seksefascisme' en euthanasie terugleest kan veel van wat ze vaak ongenuanceerd en uiterst intolerant te berde bracht, uitstekend plaatsen tegen die achtergrond. Maar het duidelijkst komt de woede over wat de nazi's hebben aangericht en die haar van meet af aan heeft gedreven, tot uiting in een interview met Ischa Meijer uit 1991. Ze vertelt daarin dat ze, in het kader van haar late oriëntatie op de joodse religie, Hebreeuws aan het leren is. `Het is natuurlijk moeilijk om op mijn leeftijd nog een nieuwe taal te leren, maar ieder Hebreeuws woord dat ik leer, eentje per dag of zo, is 1-0 voor mij tegen de moffen.'

Zowel uit haar essays als uit de interviews rijst Burnier op als iemand die er nooit in is geslaagd te integreren in de naoorlogse Nederlandse samenleving. Ze geeft daar particuliere oorzaken voor aan, maar weet die op glasheldere wijze naar een algemeen niveau te tillen. Voor iedereen die tegenwoordig denkt dat integratie van minderheden in een dominante cultuur een fluitje van een cent hoort te zijn, is deze bundel bijzonder leerzaam. Niet alleen signaleert Burnier de problemen van meisjes en vrouwen om in de dominante masculiene cultuur te functioneren of van homoseksuelen in een heterocultuur, ze benoemt ook wat het betekent om je seksuele, culturele of religieuze identiteit te moeten verloochenen. Zo durfde ze na de oorlog niet meer joods te zijn. `Ik was gehersenspoeld, of de hond van Pavlov: bij het woord `joods' hoort gevaar dus daar moet je niet over praten.'

Uiteraard werd Burnier na haar bekering tot het joodse geloof voor de voeten geworpen dat deze heteroseksuele, ouderwetse, atavistische godsdienst diametraal stond ten opzichte van de moderne opvattingen die ze uitdroeg als romanschrijfster. Haar antwoord daarop was dat ze een progressieve vorm van liberaal jodendom met ruimte voor feminisme beleed en dat de joodse filosofie op een of andere manier zo bij haar hoorde dat ze zich die door niemand liet afpakken. `Ik denk dat het iets te maken heeft met een poging om een geheel te zijn, om niet een brokstuk zomaar te laten liggen, te laten rotten. Het is integratie van wat heel essentieel in mijzelf zit.'

Dat is ook een manier om tegen integratie aan te kijken. Zolang mensen om wat voor reden dan ook gedwongen worden als gedesintegreerde persoonlijkheid door het leven te gaan, wordt het met de maatschappelijke integratie van gemarginaliseerde bevolkingsgroepen nooit iets. En Burnier had als ervaringsdeskundige nog een belangrijk argument tegen gedwongen aanpassing van minderheden aan een dominante cultuur: `Ik merkte, zoals velen met mij, dat het helemaal niet uitmaakt in de wereldgeschiedenis, of je jezelf als jood definieert of niet, want dat doen anderen. [...] Al dat geassimileer en ontkennen of verwerpen van jodendom heeft niemand het hachje gered in de Tweede Wereldoorlog maar ook in de voorgaande geschiedenis heeft het nooit mogen baten.'Overigens voelde Burnier zich, ook na de (zelf)acceptatie van haar vrouw-, homo- en joodzijn, nog altijd niet thuis in Nederland. Op grond van haar uiterlijk en temperament voelde ze zich meer Mediterraan dan Noord-Europees, maar in de macho-cultuur van de Mediterrane wereld kon ze zich ook niet vinden. Nergens thuis dus. `Maar', voegde ze daar relativerend aan toe, `geldt dat niet voor ieder mens; dat we allemaal een beetje passanten zijn hier en denken dat de anderen hier horen maar wij niet?' Verfrissend om te lezen in een tijd waarin benepen nationalisme weer meer in tel is dan kosmopolitisme en iemand pas meetelt als hij nadrukkelijk laat weten er in alle opzichten helemaal bij te horen en zich, onder verwerping van eigen achtergrond en identiteit, volledig thuis te voelen.

Van de essays in de bundel spreken de autobiografische stukken, zoals `Litterair zelfportret', mij het meest aan. Daarin reflecteert Burnier, deels in polemiek met recensenten, op haar eigen werk, inclusief de romans die nu zijn herdrukt. Zo citeert ze Cyrille Offermans die in 1986 De trein naar Tarascon `een religieuze keukenmeidenroman' noemde. Dat oordeel neemt ze de criticus niet kwalijk, wel dat hij haar aanwrijft wat haar hoofdpersoon (`voor het eerst in mijn oeuvre een man en voorts een niet-joods oorlogsslachtoffer') zegt en doet. Zij noemt dit terecht een `a-litteraire benadering', die ze ook andere critici verwijt. Over de ontvangst van onder andere De litteraire salon: `Een verhaal over autonome vrouwen, aardig of niet aardig, met mannen als secundaire bijfiguren (het spiegelbeeld van de masculinistische doorsneeroman), zoals ik er een aantal heb geschreven, mag van velen niet. Homoseksualiteit tussen vrouwen zonder dat het allemaal diep tragisch wordt, maar ook zonder dat dit als een paradijs zonder slang wordt voorgesteld, mag niet.'

Ten slotte wil ik één essay niet ongenoemd laten, een psychologiserend betoog onder de titel `Hoererij als archetype en het rationalisme der activisten'. Burnier stelt daarin dat onder de huidige maatschappelijke verhoudingen iedere man een potentiële hoerenloper is, maar de door haar gehate sociaal-democratische man in het bijzonder. De klassieke hoerenloperij is in haar ogen namelijk een uiting van infantiel narcisme en `de grote aantrekkingskracht voor velen van politieke ideologieën die algehele staatsbemoeienis en staatsverzorging lijken te garanderen is daar eveneens een symptoom van'. Grote stappen, gauw thuis – zo had dit vermakelijke opstel ook kunnen heten.

Andreas Burnier: Een gevaar dat de ziel in wil. Augustus, 542 blz. €32,50

Andreas Burnier: Het jongensuur / De litteraire salon / De trein naar Tarascon. Augustus, 288 blz. €22,95