Hoofddoekje als Duits dilemma

Het hoofddoekje zorgt ook in het federale Duitsland voor politieke turbulentie. Kerk en staat zijn formeel strikt gescheiden, maar in de praktijk nauw verweven. De oplossing voor het hoofddoekje verschilt per regio.

Het is uit Duitsland niet meer weg te denken – het hoofddoekje. Niet uit het straatbeeld in de grote steden. En, sinds de eenmansactie van de onderwijzeres Fereshta Ludin, voorlopig ook niet meer uit de rechtbanken, de krantenkolommen en de parlementen.

Het hoofddoekje dwingt ook Duitsland zich te verdiepen in de cultuur van een steeds zichtbaardere minderheid van 3,5 miljoen moslims. Duitsland ontkomt daarbij niet aan principiële vragen over de inrichting van een land met een sterk christelijk karakter.

Formeel kent Duitsland een strikte scheiding tussen kerk en staat, maar in de praktijk zijn overheid en kerken nauw met elkaar verbonden. Katholieken en protestanten krijgen forse subsidies en de belastingdienst int kerkbelasting. De kerken praten mee in talloze maatschappelijke organisaties en een aantal deelstaten heeft het bevorderen van christelijke traditie in de regionale grondwet verankerd. De rechter in de Mannesmann-zaak doet haar werk onder een kruis. Veel Duitsers zien hun land nog steeds als een vrijwel homogene christelijke natie – ook al staan er 140 moskeeën en worden er 150 bijgebouwd.

Het Duitse debat mist de eenduidigheid en dramatiek van de Franse discussie. Tegenover de, op zijn minst ogenschijnlijk, rechte lijn van het Franse laïcisme staat in Duitsland een gecompliceerde band tussen kerk en staat. Tegenover het verlossende woord van een machtige president staat een gedecentraliseerd wetgevingsproces in zestien deelstaatparlementen.

Daarmee is het Duitse debat niet minder turbulent. Links is in verwarring; rechts gebruikt argumenten die men eerder van links zou verwachten. De Groenen, bijvoorbeeld, zijn verdeeld over de vraag wat de voorrang verdient: het streven naar een multiculturele samenleving (wel doekje) of de religieuze neutraliteit van de staat (geen doekje). Sommige christelijke conservatieve politici klampen zich vast aan het neutraliteitsgebod van de staat, terwijl juist hun kerk een bevoorrechte positie inneemt. Anderen omarmen het lot van de onderdrukte vrouw.

Vijf jaar geleden bond een Duitse lerares van Afghaanse komaf de strijd aan met de onderwijsautoriteiten in het Zuid-Duitse, overwegend christelijk-conservatieve, Baden-Württemberg. Fereshta Ludin wilde graag lesgeven met hoofddoek. In Stuttgart weigerde men haar daarom een baan. Ludin begon de lange weg omhoog door de rechterlijke macht en bereikte deze zomer de Zugspitze: het Constitutionele Hof.

Mocht Baden-Württemberg mevrouw Ludin een baan weigeren? Nee, zei het Hof in september. Volgens de bestaande wetgeving mag dat niet. Stuttgart had Ludins grondrecht van religieuze vrijheid aangetast. Bovendien mag geloofsovertuiging volgens de grondwet geen rol spelen bij sollicitaties voor openbare functies.

Het Hof oordeelde niet over de vraag of hoofddoekjes verboden moeten worden. Die kwestie, zeiden de rechters, is zó ingrijpend dat alleen de politiek haar kan beantwoorden. Daarbij mogen regionale tradities een rol spelen omdat onderwijs en cultuur onder de verantwoordelijkheid van de deelstaten vallen. Wel gaven de rechters ambitieuze wetgevers een waarschuwing mee. Alle religies zijn gelijk, aldus artikel 4 van de grondwet. Of men daar wel even op wilde letten.

In de conservatieve deelstaten ging men onverwijld aan de slag om het hoofddoekje uit de scholen te verbannen. Ten minste acht deelstaten werken aan een (anti-)hoofddoekjeswet, de eerste voorstellen bereiken dezer dagen de regionale parlementen. De andere, hoofdzakelijk door de SPD geregeerde deelstaten, vinden dat bestaande gedragsregels voor docenten voldoende houvast bieden in de strijd tegen eventuele indoctrinatie.

De gelijke behandeling van religies is voor de conservatieve regeringen een niet gering obstakel. Want wie hoofddoek verbiedt, moet die niet ook keppeltje, habijt en kruis verbieden? Een christen-democraat die het kruis verbiedt? Niet erg logisch. Een Duitser die een jood zijn keppeltje ontzegt? Niet erg wenselijk.

Nu heeft het hoofddoekje een euvel. Het komt niet alleen in talloze verschillende stoffen, het wordt ook uit uiteenlopende overwegingen omgeknoopt. Is het hoofddoekje een religieus symbool? Een kuisheidsteken? Een politieke verzetsdaad? Of juist het omgekeerde, het bewijs van onderdrukking? Of, is het, zoals islamitische organisaties onderstrepen überhaupt geen symbool maar eenvoudig een religieuze plicht? . ,,Het gaat er niet om wat een moslima óp haar hoofd heeft'', zei de advocaat van Ludin, ,,maar om wat er ín zit.''

Wat er in een hoofd omgaat is aan een doekje evenwel niet te zien. Daarmee bestaat, redeneerde men in Beieren, te allen tijde de mogelijkheid dat het hoofddoekje een politiek statement is. En dát hoort in de klas niet thuis: de openbare school behoort immers neutraal te zijn. Door het doekje als politiek symbool te classificeren hoopt men in München de eis van gelijke behandeling van religies te omzeilen. ,,Met de hoofddoekwet beschermen we leerlingen tegen mogelijke fundamentalistische invloeden'', zei Monika Holmeister (CSU),in Beieren verantwoordelijk voor onderwijs. Het kruis, en daar hecht men in Beieren zéér aan, kan dan in de klas blijven.

In het naburige Baden-Württemberg volgt men een soortgelijke redenering. Men wil het hoofddoekje verbieden uit politieke overwegingen, maar kruis en keppeltje als religieuze uitingen toestaan. Annette Schavan, minister van Cultuur (CDU), beroept zich daarbij op de in de grondwet van de deelstaat verankerde plicht om leerlingen op te voeden in de christelijke traditie. Schavan: ,,Een verbod op het hoofddoekje is geen aanval op iemands religie.'' Volgens Schavan is het hoofddoekje vooral een middel om culturele afzondering te onderstrepen en een teken van – wettelijk verboden – vrouwenonderdrukking.

Een aantal progressieve vrouwen voert, onder aanvoering van de regeringscommissaris voor minderheden, Marieluise Beck (Groenen), actie voor behoud van het hoofddoekje in de klas. ,,Omdat in veel islamitische landen vrouwen en meisjes gedwongen worden een hoofddoek te dragen, willen wij ze dwingen het af te doen. Schiet ons echt niets beters te binnen om deze vrouwen aan meer onderwijs en zelfbestemming te helpen?'', aldus de actiegroep in een verklaring. Haar partijgenoot Özcan Mutlu, parlementariër in Berlijn, is juist fel voorstander van een verbod. Het recht van de kinderen gevrijwaard te worden van religieuze symbolen is voor hem belangrijker dan de vrijheid van de onderwijzeres. En met het toestaan van hoofddoekjes, sneert hij, is de emancipatie van moslimvrouwen niet gediend.

Duitsland kent één politicus die er voor alle Duitsers behoort te zijn, bondspresident Johannes Rau. Een streng gelovig man; om zijn zalvende toespraken wel Broeder Johannes genoemd. Rau is tegen een verbod op hoofddoekjes. Hij vreest dat een verbod de deur open zet naar een staat die religieuze symbolen uit het maatschappelijk leven verbant. ,,Ik wil dat niet. Dat past niet bij mijn beeld van ons door het christendom gevormde land'', zei hij onlangs in Wolfenbüttel. De Duitse liefde voor Frankrijk gaat ver, maar houdt halt bij de laïcité.