Het masker van de lachende soldaat

Hoe invoelbaar is het leed van de vijand? Twee uitzonderlijke Duitse dagboeken uit de Tweede Wereldoorlog geven een beeld van een meedogenloze seksuele economie, en van het `leeglopen' van de ziel aan het front.

Wie denkt alles al te weten van het verleden, kan zijn toevlucht nemen tot het egodocument. Om de kennis te verdiepen. Niets versterkt beter de illusie precies te begrijpen hoe het is geweest dan brieven, dagboeken en memoires. Als ze tenminste goed geschreven zijn, komt het verleden voor het lezersoog tot leven, in al zijn fascinerende onbevattelijkheid. De context vervaagt, het grote verhaal wordt tijdelijk vergeten, en de abstracte kennis verandert in een concrete ervaring.

Met alle nadelen vandien. Want goed geschreven egodocumenten nodigen net als romans uit tot empathie en identificatie. Hoe wenselijk is de identificatie met een Duitse kampbeul uit de Tweede Wereldoorlog? Willen we zo iemand wel begrijpen? Het antwoord hangt af van de mate van morele onthechting die men zich wenst te permitteren. Zelf zou ik liefst alles willen weten en begrijpen. Maar dat niet elk egodocument altijd en overal welkom is, daar kan ik inkomen.

Een mooi voorbeeld is het anonieme dagboek Eine Frau in Berlin, dat in 1954 wel in Amerika en Engeland werd uitgegeven, maar niet in Duitsland. De enige Duitse versie verscheen in Zwitserland en werd (overigens op verzoek van de schrijfster) niet meer herdrukt – tot vorig jaar, toen het dagboek in Enzensbergers onvolprezen Andere Bibliothek uitkwam. De zeer concreet en gedetailleerd beschreven ervaringen van een Berlijnse vrouw met verkrachtende Russische soldaten en officieren werden in 1954 niet opportuun geacht, noch voor het aanzien van de Duitse vrouw noch voor dat van het Rode Leger. Tegenwoordig denkt men daar blijkbaar anders over, al is er ook nu in Duitsland weer enig tumult ontstaan.

In Nederland werd het dagboek indertijd eveneens uitgegeven, en het is nu – in een nieuwe, vlot en hedendaags lezende vertaling – opnieuw verschenen (een voorpublicatie stond afgelopen zaterdag in de bijlage Leven &cetera). Dat men er in 1954 van schrok, hoeft niet te verbazen, gezien de nuchtere, feitelijke, maar zeker niet gevoelloze manier waarop de schrijfster (begin dertig, goed ontwikkeld, werkzaam in de uitgeverswereld) haar schokkende belevenissen van zich afschrijft.

Het is juist de mengeling van intelligentie en sensibiliteit (die haar behoedt voor overdrijving en al te simpele verontwaardiging) waardoor de tekst zoveel indruk maakt. Omdat zij een beetje Russisch kent, zijn de verkrachters voor haar geen anonieme `wilden', maar mensen die, hoe rudimentair ook, ieder een eigen gezicht krijgen. Het resultaat is een volstrekt uniek beeld van de meedogenloze seksuele economie, die tussen april en juni 1945 (de periode die het dagboek bestrijkt) in Berlijn moet hebben geheerst.

Bezwijken

De schrijfster maakt zich geen illusies. De wereld is ineengestort, alle façades zijn bezweken, dus ook op papier is er geen reden om de schijn op te houden. Haar aantekeningen zijn, voor zover je dat als buitenstaander kunt beoordelen, van een nietsontziende eerlijkheid. De Duitse mannen (nu opeens het `zwakke geslacht' geworden) zijn van hun voetstuk gevallen, en het is aan de vrouwen (`verstandig, praktisch, opportunistisch') om voor het overleven te zorgen. Wat niet meevalt, omdat de Russen alle macht in handen hebben.

Hoewel een zeker fatalisme de schrijfster niet vreemd is, weet zij het lot toch enigszins te sturen, door één vaste verkrachter (het worden er uiteindelijk toch meer) te kiezen, die de rest op afstand moet houden. Dat werpt de vervelende vraag op of zij hierdoor geen `hoer' is geworden, met onmiskenbare schade voor haar trots en zelfrespect. Aan de andere kant ziet zij zichzelf gelaten als `oorlogsbuit' (met dank aan `Adolf'). Waarschijnlijk hebben de Duitse militairen in Rusland even hard huisgehouden. Tegen de bevriende schrijver Kurt W. Marek (van wie het uit 1954 stammende nawoord afkomstig is) zou zij zelfs hebben gesproken van een `vereffening van een rekening', ongeveer zoals Lucie Lury in J.M. Coetzees roman Disgrace.

Wat de Duitsers in Rusland hebben gedaan, is inmiddels genoegzaam bekend. Ook dat de gruweldaden niet alleen op rekening van de SS kunnen worden geschreven, de Wehrmacht heeft zich er eveneens aan schuldig gemaakt. In Duitsland een nog altijd pijnlijke kwestie, die wordt aangesneden in het nawoord bij de uitgave van het oorlogsrelaas van Wehrmachtsoldaat Willy Peter Reese: Mir selber seltsam fremd. Die Unmenschlichkeit des Krieges, Russland 1941-44. Hier zie je overigens al meteen het verschil in benadering van egodocumenten: bij de Berlijnse vrouw is kennelijk geen context en explicatie meer nodig, terwijl de lotgevallen van de soldaat Reese nadrukkelijk in een groter verband worden geplaatst, uit angst dat hij of – nog erger – de hele Wehrmacht als deerniswekkende slachtoffers worden opgevat.

Deze behoedzaamheid komt voor rekening van editeur Stefan Schmitz, die ook de titel van het manuscript van Reese heeft veranderd. Zijn relaas, gebaseerd op dagboekaantekeningen, heette oorspronkelijk Russische Abenteuer. Ein Bekenntnis aus dem Grossen Kriege, een aanzienlijk minder politiek correcte titel. En ook een feitelijk juistere titel, omdat de moralistische ondertoon eraan ontbreekt. Reeses titel herinnert eerder aan Das abenteuerliche Herz (1929) van Ernst Jünger, een door de jonge auteur hevig bewonderde en tot voorbeeld genomen schrijver.

Dat wil niet zeggen dat het niet om zelfvervreemding en ontmenselijking zou gaan, want dat gaat het wel degelijk, maar de manier waarop Reese (in het burgerleven een bankbediende met serieuze literaire ambities) een en ander verwoordt heeft niets moralistisch. Hij probeert de verschrikkingen van het militaire bestaan op een heroïsch-fatalistische manier à la Jünger (met op de achtergrond uiteraard Nietzsche) te aanvaarden. De lectuur van anderen verschaft hem de taal om zijn eigen ervaringen onder woorden te brengen: `Het leven verdroeg geen nee. Ook het verschrikkelijke wilde zijn amen. Ik moest het noodlot volbrengen. Ik moest leren de ondergang te willen, het bestaan daadwerkelijk zo te ontkennen als ik het in woorden en gedachten zo vaak had gedaan, en toch een groot ja uit te spreken tegen alles wat mij overkwam'.

Aldus tracht deze jonge dichter (21 jaar oud als hij naar het oostfront vertrekt; hij zal er drie jaar later sneuvelen) zich in zijn lot te schikken, zonder nazi te zijn, zonder politieke belangstelling, zonder liefde voor de oorlog, zonder vijandschap tegen de Russen te koesteren. Zijn taal blijft vaak gezwollen en hoogdravend, maar door kou, honger en ontberingen lukt het hem lang niet altijd het onvermijdelijke volmondig te aanvaarden.

Kameraadschap

Dan steekt opeens de Friedensmensch weer even de kop op, en heet iedereen die de oorlog rechtvaardigt `erger dan een misdadiger' te zijn. Ook verleidt de metafysische roes hem er niet toe het frontleven mooier voor te stellen dan het is: de veelbezongen kameraadschap is vaak afwezig, de `materiaalslag' is afgrijselijk, de Russische boeren worden botweg van hun voedselvoorraden beroofd, krijgsgevangenen en partisanen worden zonder pardon geëxecuteerd, en naarmate de strijd ongunstiger verloopt, neemt de drankzucht bij iedereen toe.

Reese is zich er bovendien terdege van bewust dat hij als soldaat zijn `menselijkheid' aan het verliezen is; hij heeft het over een `leegloop van de ziel' en over het `masker van de lachende soldaat'. Maar ook constateert hij met enig genoegen zijn eigen verharding, hét bewijs dat hij is opgewassen tegen de onverbiddelijke eisen van het `ijzeren noodlot', zoals hem die door Jünger c.s. zijn voorgehouden. Vrijwel steeds is er óók sprake van een innerlijke `oorlog', die tot in de woorden wordt uitgevochten. Maar andere woorden dan die van zijn literaire voorbeelden heeft Reese niet of nauwelijks tot zijn beschikking, zodat hij bij alle schommelingen toch steeds weer uitkomt bij een meer of minder lyrisch uitgesproken amor fati.

Deze worsteling, een worsteling in laatste instantie om de taal, maakt dit relaas zo aangrijpend – naast de herkenbaarheid van de fascinatie voor een leven `auf der Grenze' (nu zouden we zeggen on the edge), waaraan de jonge literaat met zijn hang naar `heroïsch nihilisme' zich roekeloos overgeeft. Het schrijven is bij hem een existentieel avontuur, misschien wel het belangrijkste van alle `Russische avonturen', omdat het zo noodzakelijk blijkt te zijn. Alleen in en door het schrijven, zowel aan het front als thuis of in het lazaret (waar hem telkens een fataal `heimwee naar Rusland' overvalt), lukt het hem nog iets van zijn eigen ik vast te houden.

Daarin ligt ook de belangrijkste overeenkomst met het dagboek van de anonieme Berlijnse vrouw. Tegen het steeds dreigende zelfverlies hebben zij alleen het schrijven als tegenwicht, hoe paradoxaal dat als remedie ook mag zijn. Want beiden trachten uit alle macht zichzelf te blijven door nauwgezet te beschrijven hoe zij bezig zijn zichzelf kwijt te raken.

Anonyma: Eine Frau in Berlin. Tagebuchaufzeichnungen vom 20.April bis 22.Juni 1945. Mit einem Nachwort von Kurt W. Marek. Eichborn. 291 blz. €24,28. Vertaald door Froukje Slofstra als Een vrouw in Berlijn. Dagboekaantekeningen van april tot juni 1945. Cossee, 283 blz. €22,90

Willy Peter Reese: Mir selber seltsam fremd. Die Unmenschlichkeit des Krieges, Russland 1941-44. Herausgegeben von Stefan Schmitz. Claassen, 284 blz. €21,–.

Een vertaling verschijnt volgend jaar bij De Arbeiderspers.