God ritst de hemel open

In een van zijn gedichten beschrijft Chris Abani de dag waarop hij uit de gevangenis werd ontslagen. Daar stond hij dan, een plastic tasje in de hand, de ogen knipperend tegen het zonlicht. Hij kon het nog niet geloven, want bijna niemand kwam er ooit levend uit, uit Kiri Kiri, een van de ergste gevangenissen in Nigeria. Hij stond buiten, hij was vrij, maar hij durfde zich nog niet te verroeren, zozeer was hij ervan overtuigd dat hij met een of meer schoten in de rug alsnog gedood zou worden. Maar de schoten bleven uit. Hij had gedacht dat de mensen op straat dan wel voor hem zouden terugdeinzen, maar ook dat gebeurde niet. Tot zijn grote verbazing gebeurde er helemaal niets. Een zacht briesje rimpelde zijn shirt, dat was alles. En een hond ging tekeer tegen een geparkeerde auto. Maar verder bleef het stil. Hij rook alleen de geur van gebakken banaan, `zachtjes gedragen' – en dat deed `onverklaarbaar zeer'. Hij proefde alleen de smaak van koude, zoete Coca-Cola – en dat prikkelde hem `tot tranen toe'.

Abani beleefde zijn vrijlating uit de gevangenis alsof hij opnieuw geboren werd. Dat is goed voorstelbaar als je in zijn andere gedichten leest wat zich binnen de muren moet hebben afgespeeld. Abani, geboren in 1966, werd in 1984 vastgezet, omdat zijn eerste boek te veel kritiek op het Nigeriaanse bewind zou bevatten. Later werd hij, na nieuwe publicaties, nog eens opgepakt. Martelingen, mishandelingen en vernederingen voltrokken zich voor zijn ogen en hij ondervond ze ook aan den lijve. Wie dat alles overleeft moet zich na zijn vrijlating wel onwezenlijk voelen, als iemand die uit de hel teruggekeerd is.

Tweeëntwintig van zijn gedichten zijn nu vertaald, door Jabik Veenbaas, en gebundeld onder de titel Maar mijn hart is onvergankelijk. Er zitten rauwe kerkerverhalen bij en gruwelgedichten, om beroerd van te worden. John James, gevangene, veertien jaar jong: `ze nagelden z'n penis/ aan de tafel/ met een spijker van vijftien centimeter/ en lieten hem daar achter// druppend/ tot de dood/ 3 dagen later.' Zelf mocht Abani een dagje doorbrengen in `de kist', een houten bak van 180 bij 90 bij 90 centimeter, in de brandende zon, zonder eten of drinken – behalve dan de straal urine die een medegevangene over hem heen mocht pissen. Weer een ander gedicht verhaalt van die keer dat een stelletje dronken soldaten bij wijze van spelletje hun geweren leegschoten op een groepje gevangenen.

Het bijzondere is dat Abani in deze afstompende omstandigheden toch nog zoiets als verwondering heeft weten te bewaren, in de vorm van een persoonlijke benadering, een verrassende blik, een onverwacht terzijde of een scherp beeld. Hij heeft oog voor haar dat om een kamtand krult, in een wasbak. Hij ziet de patronen in thee- en koffiekopjes. Hij ziet een vader en een moeder en drie kinderen die haastig een grafje graven voor hun overleden dochtertje en zusje, maar het gat is te ondiep – waardoor het lijkt alsof ze het dode meisje niet begraven, maar `geplant' hebben. Het beeld van God die de hemel openritst: weerlicht. Het gegeven van de als kind gevonden kogel die Abani in zijn broekzak nog altijd met zich meedraagt, als een soort bezwering tegen het geweld. `Die kogel, die mijn broekzak deukt, is onze enige hoop op vrede.'

In zulk soort omkeringen zoekt Abani, in Los Angeles levend inmiddels, het graag. In het laatste gedicht beschrijft hij hoe hij 's ochtends vroeg bij zijn oma in de keuken peinzend zijn thee drinkt en naar buiten kijkt, naar de scharrelende kippen en naar de opkomende zon, alles in steeds wisselend licht en kleuren. `Dit is alles wat er is', weet hij, maar hij weet ook dat hij er steeds iets anders in kan zien. Dat wordt, in de slotregel, de opdracht voor zichzelf: `the stitching of life into transfigurations.' In vertaling: `Het leven andere gedaantes laten aannemen.'

Chris Abani: Maar mijn hart is onvergankelijk. Gedichten. Vertaald door Jabik Veenbaas. Wagner & Van Santen, 76 blz. €15,50