Epos dat klassiek begint

Herinnering, o valsemunter,

Jou roep ik voor dit werk niet aan.

Blijf in je achterhuis. Je kunt er

Voorlopig roerloos blijven staan.

Wie ik nu nodig heb, ten zeerste,

Voor mijn vermetele scheppingsdrang

Van driemaal duizend regels lang,

Dat is de soepelste, de teerste

En toch voor mij zo sans merci:

O lieve leidster fantasie.

Ik weet dat ik op je kan bouwen

In al je onbetrouwbaarheid.

Jij trouwelooste aller vrouwen,

Ik wil dat jij me begeleidt.

Kom, zuster, kom de arm mij reiken.

Alleen jouw steun kan het solide

Tapijt van wind en drijfzand bieden

Waarop ik achterom kan kijken.

Verleden is een treurig ding,

Maar erger is de herinnering.

Ik zie een man. Hij heeft een kop

Zo groen als loof van winterpenen.

Hij torst een woeste bloemkoolkrop,

Op struikgewas lijken zijn benen.

Een bladerdak draagt hij als vacht.

Wanneer hij loopt sleept hij een woud

Van wortels mee. Hij kent geen goud,

Wel malachieten en smaragd.

Hij draagt een jagershoed met veer.

Ach, over deze man straks meer.

Eerst nu degene voorgesteld

Die uit de nevels opdoemt als

Mijn enige, mijn ware held.

Hij is geen held van galabals,

Van ruiterfeest of schermtoernooi,

Hij is wat men een dichter noemt

En dichten doet hij deksels mooi.

Hij is ontzaggelijk beroemd,

Hij heeft krediet, hij sprokkelt eer –

Maar wacht, daar is de bloemkool weer.

en zo 296 strofen verder