Down (2)

In een stukje over het syndroom van Down beschreef ik vorige week hoe enkele beroemde Amerikanen reageerden op de geboorte van hun zwakbegaafde kind. De toneelschrijver Arthur Miller liet zijn zoontje Daniel zo spoedig mogelijk in een tehuis opnemen en keek nooit meer naar hem om. De ouders van Rosemary Kennedy, een jonger zusje van John, lieten een beschadigende hersenoperatie op haar uitvoeren en borgen haar eveneens in een privé-kliniek op.

Over beide gevallen valt, mede dankzij enkele attente lezers, nog meer te zeggen.

Tim Hinterding wist een fascinerend citaat uit Millers toneelstuk After the Fall op te delven, dat laat zien hoe Miller, zijn uiterlijke onverschilligheid ten spijt, moet hebben geworsteld met het bestaan van dit kind.

Daniel werd in 1962 geboren en twee jaar later laat Miller in After the Fall de vrouw Holga tegen haar man Quentin zeggen: ,,Quentin, ik denk dat het een vergissing is om hoop buiten jezelf te zoeken. De ene dag ruikt het huis naar vers brood, de volgende dag naar rook en bloed. Op zekere dag zul je flauwvallen omdat de tuinman zijn vinger afsneed, en nog geen week later zul je over de lijken van kinderen klimmen die in de metro zijn gebombardeerd. Welke hoop kan er zijn als dat zo is? Ik probeerde dood te gaan tegen het einde van de oorlog. Ik had een droom die elke nacht terugkwam, tot ik niet meer durfde te slapen en vrij ernstig ziek werd. Ik droomde dat ik een kind had, en zelfs in mijn droom zag ik dat het mijn leven was; het was een mongooltje, en ik liep weg. Maar het kroop steeds weer op mijn schoot; het greep naar mijn kleren. Tot ik dacht: als ik het kan kussen, wat er ook van mezelf in is, kan ik misschien slapen. En ik boog mij over zijn verwrongen gezicht, en het was afschuwelijk... maar ik kuste het. Ik geloof dat je uiteindelijk je leven in je armen moet nemen, Quentin.''

Nadat Hinterding mij dit citaat had toegestuurd, pakte ik mijn Penguin-editie van After the Fall uit de kast. Ik had het 25 jaar geleden gelezen en was het helemaal vergeten. Nu zag ik dat ik destijds een streep had gezet achter deze passage zo mooi en huiveringwekkend vond ik haar toen al, zonder te kunnen beseffen wat de autobiografische achtergrond ervan was.

Prachtige literatuur, maar een schrale troost voor Daniel, die veertig jaar lang alleen zijn moeder op bezoek kreeg. Martin Gottfried, de biograaf van Miller, toont in zijn boek aan dat dit gedrag typerend is voor Miller. Hij beschrijft hem als een afstandelijke man, niet in staat zijn gevoelens te tonen hij verwerkt ze liever in zijn stukken. After the Fall gaat over een man, Quentin, die bang is dat hij niet kan liefhebben.

Over Rosemary Kennedy meldde een andere lezer, C. Stolk, me dat de werkelijkheid misschien nog gruwelijker is dan ik dacht. Er bestaat een boek uit 1995, getiteld Rose Kennedy en haar familie, waarin de auteur Barbara Gibson, ooit de secretaresse van moeder Rose, beweert dat Rosemary niet zwakbegaafd, maar alleen dyslectisch (woordblind) was. Gibson had dat afgeleid uit de dagboeken die Rosemary bijhield.

Alles komt altijd uit, nou ja, soms.