Dominee met mitrailleur

De Nederlandse verhouding met de rest van de wereld wordt vaak gekarakteriseerd als een kruising tussen een koopman en een dominee. Als die schizofrene positie ergens tot uitdrukking komt, dan is het wel in het beleid ten aanzien van de export van strategische goederen. Enerzijds levert de Nederlandse defensie-industrie een hightechbijdrage aan de economie. Anderzijds heft Nederland graag het vingertje tegen andere landen die bijvoorbeeld het officiële voornemen van de Europese Unie negeren om geen wapens te leveren aan landen of regio's waar spanningen heersen, of waar mensenrechten worden geschonden.

Het VPRO-programma Argos heeft via een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur de vraag gesteld of Nederland zich de afgelopen jaren eigenlijk zelf aan die richtlijnen voor wapenexport houdt. Het heeft daartoe onderzoekers, Martin Broek en Frank Slijper, van de organisatie Campagne tegen Wapenhandel in de arm genomen. Het zal, gezien de herkomst van deze onderzoekers, weinig verbazen dat het antwoord in boekvorm op deze vraag een verontwaardigd `nee' luidt.

Het boek klaagt `Den Haag' aan. Ons land hanteert volgens de auteurs bijvoorbeeld een veel te flexibele definitie van `vreedzame gebieden'. Zo geldt het Midden-Oosten als een gebied waar de spanning al minstens een halve eeuw te snijden is. En toch kwam Nederlands materieel in de jaren negentig terecht bij bijvoorbeeld de Israëlische, Jordaanse en Egyptische strijdkrachten. Israël ontving simulatoren voor houwitsers, Jordanië mobiele artillerie en Egypte pantservoertuigen, afdankertjes van de Nederlandse landmacht. Ook werden Indonesische marineschepen, die voorzien zijn van elektronica van Nederlandse makelij, ingezet bij acties van het regeringsleger tegen rebellen in de provincie Atjeh. Ook blijkt ons land de halve wereld te voorzien van een klein, maar cruciaal onderdeel van dit soort wapens: een schakeltje van een patroonband voor mitrailleurs. Tegelijkertijd loopt Nederland binnen de Verenigde Naties voorop bij het bestrijden van de zogeheten `kleine wapens', zoals vuurwapens, mortieren en handgranaten.

Het gaat de auteurs niet alleen om leveranties van hardware. Bouwbedrijven die marinehavens of vliegbases aanleggen in de Derde Wereld, hoeven die opdrachten niet eens te melden. Dit soort projecten valt namelijk niet onder het hoofdstuk defensie-export.

Het grondig gedocumenteerde Explosieve Materie toont aan dat Nederland de zelf opgelegde gedragscode voor wapenexport af en toe schendt, of op zijn minst ruim interpreteert. Die hypocriete dominee, zo luidt de impliciete boodschap, zou dus wat minder hoog van de toren moeten blazen.

Maar ondanks de gepresenteerde feiten wil de verontwaardiging over het overheidsbeleid ten aanzien van de uitvoer van defensiematerieel niet overspringen. Dat komt door de negatieve, soms activistische toon bij de beschrijving van het beleid en van de defensie-industrie. Slijper en Broek zien de dominee het liefst de mond gesnoerd, maar ze lijken de koopman zelfs dood te wensen. Dat is geen constructieve bijdrage aan een discussie over defensie-export.

Martin Broek en Frank Slijper: Explosieve Materie. Nederlandse wapenhandel blootgelegd.

Papieren Tijger, 236 blz. €19,90