Artsenbezoekers

De marketing- en reclamekosten die een bedrijf maakt, worden uiteindelijk door de consument betaald. Waar niemand een probleem mee heeft als het over frisdranken gaat, is een gevoelig politiek dossier in het geval van medicijnen. De uitgaven voor de promotie van geneesmiddelen, in de vorm van onder meer artsenbezoeken, cadeaus, studiereizen en symposia, kunnen oplopen tot een kwart van de prijs van de medicijnen. Een aangezien deze worden doorberekend in de kosten van de gezondheidszorg, is het geen kwestie van particuliere consumptie, maar van publiek belang.

Al tientallen jaren proberen opeenvolgende bewindslieden van Volksgezondheid maatregelen te verzinnen om de kosten van geneesmiddelen te beteugelen. Er zijn prijsingrepen afgekondigd en er is gezocht naar beperking van de winstmarges. Vorig jaar besloot vigerend minister van Volksgezondheid De Geus om de bonussen en kortingen die groothandelaren en apothekers bedingen bij de afname van generieke geneesmiddelen (waarvan de octrooien zijn verlopen), af te romen. Dat zou enige honderden miljoenen op de zorguitgaven schelen, maar hij deed het juridisch onhandig en een rechter verbood de ingreep omdat apothekers voor hun inkomens afhankelijk zijn van het bonussysteem. Inmiddels onderhandelen ziektekostenverzekeraars met de industrie over lagere inkoopprijzen van generieke geneesmiddelen.

Deze week heeft minister Hoogervorst voorgesteld om een `promotax' te heffen op de marketinguitgaven die farmaceutische bedrijven doen voor geneesmiddelen die door octrooien worden beschermd. Daarmee was het weer ruzie tussen Volksgezondheid en de farmaceutische industrie. En hoewel de minister lof verdient voor zijn wens om de promotie-uitgaven te beteugelen, is het de vraag of een speciale belasting de meest aangewezen manier is om de medicijnkosten te beperken.

Met de huisartsen kreeg Hoogervorst het ook al aan de stok. Zijn plan om de eigen bijdrage die het kabinet vanaf volgend jaar wil invoeren in het ziekenfonds, ook voor bezoeken aan de huisarts te laten gelden, wekte grote weerstand op. De Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) kwam met een advertentie waarin werd gewaarschuwd dat over acht jaar een kwart van de Nederlandse bevolking zonder huisarts zou komen als de kabinetsplannen zouden doorgaan. Dat was een karikatuur en terecht maakte Hoogervorst zich kwaad over de misleidende tekst van deze advertentie. Het budget voor huisartsen is niet afgenomen, maar de afgelopen vijf jaar met 40 procent toegenomen, het aantal huisartsen is niet gedaald maar gestegen. Wel werken steeds meer huisartsen in deeltijd en zijn er problemen met de vervulling van onregelmatige diensten.

Eén manier om de werkdruk in huisartspraktijken te beperken is om patiënten te ontmoedigen die de gewoonte hebben de wachtkamers plat te lopen. Een beperkte eigen bijdrage kan dat gedrag, waarover veel huisartsen klagen, tegengaan. Maar juist hiertegen loopt de LHV te hoop en CDA-Kamerlid Buijs, zelf huisarts, vertolkte het verzet van de beroepsgroep in de Tweede Kamer. Dat is niet verstandig, want de eigen bijdrage is geen zaak die de kwaliteit van de huisartsenzorg ondermijnt. Al eerder heeft Buijs financiële ingrepen in de zorg geprobeerd te verzachten, om vervolgens door zijn fractie tot de orde te worden geroepen.

In de dubbele betekenis van het woord zijn `artsenbezoekers' – vertegenwoordigers van de farmaceutische industrie en patiënten van de huisarts – aldus de inzet van het politieke debat over de zorg geworden. Dit illustreert dat in de gezondheidszorg collectieve en particuliere belangen altijd door elkaar lopen, of het nu gaat om de kosten van medicijnen of over de eigen bijdrage van de patiënt. Dit spanningsveld laat zich niet oplossen met een enkele maatregel en op de complexiteit van de materie heeft al menig minister of staatssecretaris van Volksgezondheid zich stukgebeten. Hoogervorst staat voor de lastige taak om tot een voor alle partijen aanvaardbare oplossing te komen.