Toch blijven Arabieren de vijand

Het einde van de oorlog tussen noord en zuid in Soedan lijkt ophanden. Maar bij de zwarte zuiderlingen blijft het wantrouwen jegens de Arabische noorderlingen,

Beteuterd kijkt de tienjarige James Maymay hoe zijn eenheid van het SPLA-rebellenleger weg marcheert op de goudgele vlaktes tussen de moerassen. Hij is zojuist met een groepje kindsoldaten gedemobiliseerd in het gehucht Tam in de regio Western Upper Nile van Zuid-Soedan. ,,Ik kan me geen leven zonder oorlog voorstellen'', zegt het jochie. ,,Gisteren nog hoorden we over een gevecht tussen onze troepen en een militie van de regering. De Arabieren weten dat wij kinderen uit het leger worden ontslagen en daar zullen ze gebruik van maken om ons land af te nemen.''

Een kinderfantasie vol wantrouwen. Hoewel een vredesverdrag in het verschiet ligt dat een eind moet maken aan de 21-jaar oude oorlog blijven de zwarte Zuid-Soedanezen een diepe argwaan koesteren voor de Arabische vijand, zoals zij de regering in de noordelijke hoofdstad Khartoum noemen. Toen vorige maand John Garang, de leider van het SPLA (Soedanees Volksbevrijdingsleger), in Rumbek zijn achterban kwam voorlichten over het aanstaande vredesverdrag, kwam hij onder een spervuur van vragen door kritische commandanten. Zij waarschuwden hun leider: ,,Vertrouw nooit een Arabier.''

Als het lukt de oorlog tussen Noord- en Zuid-Soedan op te lossen, komt er een einde aan een van de meest ingewikkelde en hardnekkigste problemen van Afrika. Het zou een historische moment betekenen voor het continent, vergelijkbaar met de omwenteling in Zuid-Afrika tien jaar geleden. De periode na de vrede is echter een mijnenveld. Want behalve de aangewakkerde haat tussen Noord- en Zuid-Soedan waren er conflicten tussen milities, tussen rivaliserende stammen en met allerlei boevenbendes. In en rond de olievelden van Western Upper Nile wordt nog steeds sporadisch gevochten tussen milities en het SPLA.

Zuid-Soedan begint bij de opbouw van onderop. Een verdwaasde man in gerafeld rebellenuniform slentert door de stoffige straat van Rumbek. Hij praat met de honden die hem vergezellen, met mensen communiceert hij niet meer sinds hij op een landmijn liep, drie maanden bewusteloos was en zonder geheugen ontwaakte. Door de oorlog is Zuid-Soedan bezaaid met gekken.

Bij de vervallen gevangenis, één van de weinige stenen gebouwtjes, overweegt de gek naar binnen te gaan. Hij schudt het hoofd als hij nadenkt. De deuren van de cellen staan wagenwijd open. Vorige week ontsnapten er vier moordenaars, want de bewakers lieten hen onbewaakt achter om hun voedsel te gaan zoeken. Geen enkele SPLA-bestuurder ontvangt een salaris. Op de gevangenisvloer hangen enkele vrouwen rond met hun kinderen. Ze zijn gearresteerd wegens overspel. Daarop staat een straf van zes koeien, maar die konden ze niet betalen. ,,Ik heb me al 20 jaar niet meer kunnen ontspannen. Oorlog brengt stress. En geen van mijn kinderen kon naar school'', zegt bewaker Matthew Jiet Abol. ,,We hunkeren naar vrede maar ik denk dat mijn gevangenis vol gaat lopen. Vele ballingen die de cultuur ontgroeiden komen terug. Hun terugkeer zal tot misdaad leiden.''

Het SPLA is in zijn gebieden teruggevallen op traditioneel tribaal recht. Dit is een oude vorm van gerechtigheid die perfect past in de karige bush maar niet bij gemoderniseerde ballingen, wier medewerking essentieel zal zijn voor de opbouw.

Het SPLA hield zich tijdens de oorlog bovenal bezig met vechten, de zorg voor het volk lag bij buitenlandse hulporganisaties. De gehele gezondheidssector, als de rudimentaire klinieken en het handjevol ziekenhuizen dat deze naam waardig is, wordt gedraaid door hulporganisaties. Nog geen 27 procent van alle kinderen krijgt onderwijs, op scholen die veelal niet meer omvatten dan een schaduwplekje onder een mangoboom. Het ontbreekt het SPLA aan leden die straks de buitenlandse ontwikkelingswerkers kunnen bijsturen.

David Nok werkte jarenlang in Rumbek als burgerbestuurder van het SPLA maar verloor zijn baan wegens onenigheid met militairen in de rebellenbeweging. Hij werkt nu voor een particuliere Soedanese hulpinstelling. ,,Na de vrede moeten de soldaten worden geleerd zich te gedragen, nu ze hun alleenheerschappij kwijt zijn'', betoogt hij. ,,Sommigen binnen het SPLA zien de burgerbestuurders en de Soedanese organisaties als oppositie. Maar wij zijn de enigen die kunnen voorkomen dat Garang een dictatuur vestigt.''

Pas in 1994 na een interne revolte tegen Garang gaven zijn commandanten toestemming voor de opbouw van burgerstructuren. Dat gebeurde niet zonder tegenstand. Marial Majok vecht al 15 jaar in het SPLA. Hij haalt zijn neus op voor ,,die intellectuelen en ballingen in nette pakken die in 1994 ons dwongen om burgerbestuur in te voeren. Wat denken ze wel! Een oorlog is geen feestje.'' Nog steeds in hij kwaad. ,,Bij hun terugkeer in Zuid-Soedan gaan we ze eerst hun cultuur bijbrengen.''

De geschiedenis van het SPLA, en het verzet in Zuid-Soedan dat daaraan voorafging, kenmerkt zich door verdeeldheid en militarisme. Zelfs over het doel van de strijd bestaat geen overeenstemming. De eerste opstand van 1955 tot 1972 was voor onafhankelijkheid, Garangs SPLA daarentegen wil een `Nieuw Soedan', een federaal verband tussen Noord en Zuid, een streven waarvoor onder de zuiderlingen weinig steun bestaat.

De slenterende gek ziet op de markt een groepje wild pratende mannen rond de 76-jarige Momom Chol. Deze oude Chol is rijk: hij bezit 33 vrouwen, een onnoembaar aantal kinderen en koeien en vele winkeltjes in Rumbek. De discussie gaat over de toekomst van Zuid-Soedan. Chols ogen flikkeren bij de suggestie dat de noordelijke handelaren zullen terugkeren: ,,Iedereen zal de Arabische zakenlui boycotten. Of wij vermoorden ze.'' Over de vraag of bij een referendum over zes jaar de Zuid-Soedanezen gaan stemmen voor onafhankelijkheid of voor een verenigd Soedan hoeft hij niet na te denken. ,,Niemand wil hier nog iets met het noorden te maken hebben, zelfs een ongeboren kind zal voor onafhankelijkheid stemmen.'' Dat gevoel leeft wijdverbreid in het zuiden.

SPLA-commandant Marial Matib heeft staan mee te luisteren. ,,Jullie handelaren zijn bang voor concurrentie van de noordelingen'', sniert de commandant, ,,wij van het SPLA vochten tegen een systeem, niet tegen de Arabieren.'' Een handelaar in pruimtabak werpt tegen: ,,Maar het systeem ís de Arabieren.'' De dorpsgek wendt het hoofd af en zet het debat voort met zijn honden.