Legitimiteit in Irak ontbreekt

De Verenigde Staten zijn zonder steun van de VN de oorlog in Irak begonnen. Nu zoeken ze hulp bij de VN die grote aarzelingen hebben, omdat de Amerikaanse acties in Irak legitimiteit ontberen, meent Ivo H. Daalder.

Het is duidelijk dat de regering-Bush de wind niet mee heeft wanneer Cheney, pas op zijn tweede buitenlandse reis in drie jaar, de bondgenoten oproept tot een gezamenlijk aanpak van de terroristische en andere dreigingen in de wereld. ,,Samenwerking tussen onze regeringen en doelmatige internationale instellingen'', zei Cheney zaterdag op het Wereld Economisch Forum in Davos, ,,zijn nog belangrijker dan ze al in het verleden waren.'' En dit van een man die in de aanloop naar de oorlog met Irak adviseerde om niet naar de VN te stappen en geen steun van bondgenoten te vragen.

De oproep van Cheney kwam na een week van koortsachtige regeringspogingen om de hulp van de Verenigde Naties te verwerven bij de overgang in Irak van bezetting naar soevereiniteit. Paul Bremer, de bewindvoerder in Irak, werd vorige week haastig teruggeroepen naar New York om samen met een Iraakse delegatie een gesprek met VN-secretaris-generaal Kofi Annan te voeren. Intussen deed president Bush in Washington een klemmend beroep op Lakhdar Brahimi, de pas benoemde afgezant van Annan voor het gebied, om snel naar Bagdad te reizen en de Amerikaanse bezettingsmacht bij de overgang te helpen.

Er zijn ook aanwijzingen dat de regering bereid is terug te komen op haar jongste plannen voor de uitvoering van de overgang, zolang de deadline van 30 juni voor de teruggave van de macht aan de Irakezen maar gehandhaafd blijft.

Dit alles doet vermoeden dat de regering-Bush inmiddels beseft dat haar inspanningen in Irak niet van een leien dakje gaan. Maar het kernprobleem is niet zozeer dat haar overgangsplannen en tal van haar acties ter ondersteuning van de bezetting niet deugen (al is ook dat vaak zo), als wel dat het haar acties in Irak ontbreekt aan legitimiteit – niet alleen in de ogen van de wereld maar ook, en steeds meer, in de ogen van het Iraakse volk.

George W. Bush begon de oorlog tegen Irak in de overtuiging dat de legitimiteit van zijn daden werd gewaarborgd door de Amerikaanse `goede zaak' en de zuiverheid van zijn motieven. Tegenstanders van de oorlog zouden wel bijdraaien zodra de gunstige resultaten van het gebruik van geweld duidelijk zouden worden – zodra de dreiging die Saddam Hussein vormde voor zijn volk, het gebied en de rest van de wereld werd uitgeschakeld; zodra het Iraakse volk werd bevrijd van zijn tirannieke heerser; en vooral zodra zijn grote voorraden massavernietigingswapens waren opgespoord en vernietigd.

Voor president Bush wortelde de legitimiteit van de oorlog ook diep in de Amerikaanse waarden. ,,Amerika is een land met een opdracht'', verklaarde de president in zijn laatste State of the Union, ,,en deze opdracht komt voort uit onze diepste overtuigingen. Wij hebben niet de wens te overheersen, niet de ambitie van een wereldrijk... [Wij] beseffen onze bijzondere roeping: deze grote republiek zal voorgaan in de zaak der vrijheid.'' Amerika ging dus niet naar Irak als bezetter met territoriale of materiële ambities, maar als bevrijder om het Iraakse volk van het gruwelbewind van Saddam te verlossen.

Het probleem met deze argumenten is dat niet zoveel mensen er iets in zagen. Deze aanvankelijke scepsis zou misschien geheel of gedeeltelijk zijn overwonnen als de oorlog met Irak het resultaat zou hebben gehad dat de regering had beloofd. Maar dat was in belangrijke mate niet het geval. Niet alleen werden er geen wapens gevonden, maar een nauwkeurig onderzoek van maanden bracht aan het licht dat Saddam Hussein het merendeel van de jaren negentig geen actief wapenprogramma had gehad. Met andere woorden: de combinatie van inspecties, sancties en afschrikking die de regering-Bush als ondoeltreffend had weggehoond, had in grote lijnen juist gewerkt zoals haar tegenstanders hadden beweerd.

De president moet het nu doen met de gekwelde bewering dat de inspecteurs geen wapens en geen actieve wapenprogramma's hebben gevonden, maar wel ,,activiteiten in verband met programma's voor massavernietigingswapens''. Zijn woorden missen dit jaar de vereiste urgentie die ten grondslag lag aan zijn besluit Irak binnen te vallen en zijn overtuiging dat wij niet konden wachten tot de rest van de wereld zich bij ons aansloot.

Ook de ontwikkelingen binnen Irak na de val van Saddam ondermijnen de aanspraak op legitimiteit – zelfs onder het Iraakse volk zelf, zorgelijk genoeg. De Irakezen zijn weliswaar dankbaar dat Saddam zijn macht is ontnomen en dat hij voor zijn vreselijke misdaden tegen hen terecht zal staan, maar velen, zo niet de meesten, beschouwen de Amerikaanse aanwezigheid inmiddels als een onrechtmatige bezetting.

De meesten zijn boos omdat in de weken direct na de afzetting van Saddam afgelopen april geen enkele veiligheid is geboden – en ook in de maanden nadien geen recht en orde is geschapen. Velen zijn ook bang vanwege het oproer dat volgde, dat veel meer Irakezen dan Amerikanen het leven heeft gekost en leidde tot een keiharde Amerikaanse reactie die bij velen een diep gevoel van vernedering heeft teweeggebracht. En nog veel meer wantrouwen het verzet van Washington tegen het houden van verkiezingen voor een overgangsregering en zien daarin een wens om aan die Irakezen de voorkeur te geven die net als de Iraakse bestuursraad die de Amerikanen hebben aangesteld naar hun pijpen zullen dansen.

En dus hoopt de Amerikaanse regering, geconfronteerd met de mislukking van haar derde overgangsplan in amper negen maanden, dat de Verenigde Naties haar uit de narigheid zullen helpen die ze aan zichzelf te wijten heeft.

Uiteraard heeft Kofi Annan grote aarzelingen om Washington te gerieven. Niet alleen is Bush de oorlog begonnen tegen de zin van een duidelijke meerderheid in de VN, maar zelfs als de VN nu tussenbeide komen is er natuurlijk geen garantie dat ze de impasse kunnen doorbreken die op het ogenblik het Iraakse politieke landschap kenmerkt.

De les van dit alles is duidelijk – zonder legitimiteit kom je met machtsuitoefening alleen niet verder dan een bepaald punt. Legitimiteit brengt internationale steun en bijstand met zich mee – en een buffer van goodwill als de boel fout gaat. Zonder legitimiteit sta je er alleen voor, met des te minder kans van slagen. Legitimiteit is kortom niet een luxe voor de machtigen en een noodzaak voor de zwakken, zoals sommigen beweren, het is een vereiste om macht te vertalen in succes.

Ivo Daalder is senior fellow aan de Brookings Institution in Washington. Hij is medeauteur van `America unbound: the Bush Revolution in Foreign Policy'.