Koplands gedichten zijn ironische essays

Het is het beklijvende onderdeel van Gedichtendag. Vijf jaar lang al wordt er in januari een speciaal bundeltje uitgegeven. In 2000 opende Toon Tellegen de reeks; Judith Herzberg, Hugo Claus en Eva Gerlach volgden in de jaren daarna. En vanaf vandaag ligt Wat water achterliet van Rutger Kopland voor anderhalve euro in de boekhandel.

Tien gedichten slechts, maar op het nachtkastje voer voor minstens tien avonden. Kopland is de grootmeester van de ondubbelzinnige verwoording. De `poeha der pohesie', zoals Lucebert het noemde, zul je in zijn poëzie niet tegenkomen, maar dat betekent niet dat zijn thematiek eenduidig is. In Wat water achterliet benadert hij de tweeslachtigheid van kunst en leven. Een choraal van Bach, het verslag van een autopsie of de stem van een cello: er is altijd het contrast tussen geest en materie.

Het titelgedicht beschrijft een aquarel. `Op het moment dat je dit ziet weet je / waarom de schilder dit maakte / zo moest het', stelt Kopland in de openingsregels. Maar die zekerheid vervaagt als hij een poging doet om de `ziel' van die aquarel in woorden te vatten, om te zeggen hoe het toeval hier uit de verf kwam. `Je kunt zien dat hij het papier doordrenkte', opent het slotcouplet, `met water – water dat nu is verdampt / en de dingen achterliet zoals ze / daar waren, in dat licht'. En daarmee is het raadsel van de aquarel verwoord, maar evenzeer raadsel gebleven.

Op gelijke wijze vertelt Kopland in het mooiste gedicht van het bundeltje, `Geschilderd gezicht', hoe Co Westerik met alleen maar wat korrels en olie de materie begeestert. Hoe hij met een truc van de oude meesters een mysterieus gloeien van binnenuit creëert. In de eerste vijf coupletten is het een technisch verhaal, maar dan toetst de dichter de truc aan het schilderij Stervende en wordt het gedicht persoonlijk. Stervende toont het bijna doorzichtige gezicht van Westeriks gestorven dochter boven een landschap. `Ik vond dat zo mooi', citeert de dichter de schilder: `Ik dacht, het is vlees waar ze in terugkeert / weer weg uit het leven'.

De taal van het tiental verzen is zo direct en zo open dat je niet het gevoel hebt poëzie te lezen. Het zijn overpeinzingen, die gedichten worden door de vrije regelval, maar die evengoed als filosofische, vaak licht ironische essaytjes kunnen worden beschouwd. `Mooie gesprekken' is de titel van het poëzieduet dat Wat water achterliet afsluit. Het eerste gedicht ervan overpeinst de ziel: waar die heengaat nadat zij het lichaam bij het sterven verlaten heeft, of dat er meer aan de hand is en achter iedere vraag een andere vraag schuilt. `En ik -' eindigt Kopland dan in zijn wens weer sterfelijk aarde te voelen, `ik begon hevig te verlangen naar / de troost van een sigaret'. Het tweede gedicht gaat over `De mens in de mens', over de vereniging van materie en geest. Ook dat gesprek ontspoort. `Misschien is de mens alleen maar een woord / en zelfs dat niet' luiden de bijtende slotregels.

Rutger Kopland: Wat water achterliet. Poetry International/ Van Oorschot, 14 blz., €1,50