IJsland offert natuur aan nieuwe industrie

Goedkope energie heeft aluminiumproducent Alcoa naar IJsland gelokt. Maar de aanleg van een groot stuwmeer en de bouw van een waterkrachtcentrale die daarvoor nodig zijn, hebben controverses uitgelokt. Een groot natuurgebied gaat erdoor ten onder.

Tussen de kale rotsen en bergen ten noorden van Vatnajokull, de grootste gletsjer van Europa, is een dorp in aanbouw. Het telt nu 700 inwoners – volgend jaar 1.400 – van wie 450 buitenlandse werknemers van het Italiaanse bouwconcern Impregilo. De onderneming uit Milaan bouwt in dit ongerepte en onherbergzame natuurgebied tunnels en dammen voor een nieuwe grote waterkrachtcentrale. De centrale moet de elektriciteit produceren voor een aluminiumfabriek van het Amerikaanse Alcoa, het grootste aluminiumconcern ter wereld.

Het Karahnjukar-project is het grootste dat de IJslandse nationale energiemaatschappij Landsvirkjun, eigendom van de staat en de twee grootste gemeenten, ooit heeft ondernomen. Het omvat de aanleg van een stuwmeer van 57 vierkante kilometer oppervlakte en vele tientallen meters diep. Het meer wordt gevoed door het water dat twee zogenoemde glaciale rivieren en vele kleinere waterstromen aanvoeren vanaf Vatnajokull, de gletsjer met zijn honderden meters dikke lagen ijs. Het meer wordt afgesloten met een dam van 750 meter lang en 190 meter hoog, die wordt aangelegd in een nauwe kloof waardoor de rivier Jokulsa a Dal zich perst. De bouw van deze dam kost 228 miljoen euro. Er komen nog twee kleinere dammen van 25 en 60 meter hoog die samen enkele tientallen miljoenen euro kosten.

Vanuit het stuwmeer, dat de naam Halslon heeft gekregen, wordt water met hoge snelheid door een 40 kilometer lange en zeven meter brede tunnel dwars door omringende bergen geleid naar de zes grote turbines van het ondergrondse waterkrachtstation. De dammen bij het stuwmeer en nog twee kleinere tunnels worden gebouwd door Impregilo. De tunnelbouw kost ruim 285 miljoen euro. De ondergrondse krachtcentrale wordt aangelegd door IJslandse en Duitse bedrijven en een Sloveense onderneming. Hiermee is ruim 140 miljoen euro gemoeid. Het gebruikte water wordt via een kleine tunnel afgevoerd naar een andere rivier die aan de noordoostelijke kust in zee stroomt. De opgewekte stroom wordt geleid naar de aluminiumsmelter van Alcoa in Reydarfjordur, ruim 70 kilometer van het stuwmeer in het hoogland.

Een gebied van negenhonderd vierkante kilometer wordt op één of andere manier aangetast door deze bouwwerken en de omleiding van rivieren die ontspringen op Vatnajokull, met 5.300 vierkante kilometer oppervlakte Europa's grootste gletsjer. Er komen nieuwe bergen van weggeboorde rots en wegen om drie gigantische boormachines van Impregilo aan te voeren. In dit onherbergzame gebied, ruim zeshonderd meter boven de zeespiegel en 's winters ijzig koud, leefden voorheen alleen kleine groepen rendieren en vogels. Mensen kwamen er nauwelijks, het dichtstbijzijnde dorp, het 1.600 inwoners tellende Egilsstadir, ligt zeventig kilometer verderop.

De lange dam voor het stuwmeer wordt gebouwd in een diepe kloof, de Hafrahvammergjufur, een van de spectaculairste ravijnen van IJsland. Een groot deel van het ravijn verdwijnt voorgoed onder water. Hetzelfde lot treft de pas deze zomer ontdekte overblijfselen van een boerderij uit de Vikingtijd, die genoemd wordt in de oude IJslandse Hrafnkelssaga.

Een minderheid van de IJslanders, merendeels natuurliefhebbers, vindt het Karahnjukarproject een te grote en onherstelbare aantasting van een natuurgebied, en daarmee een te hoge prijs voor een aluminiumfabriek. Voor de regering van premier David Oddson, gesteund door een meerderheid van de bevolking, is de komst van Alcoa naar Reydarfjordur de verwezenlijking van een oude droom. Er is vele jaren, onder meer met Norsk Hydro, gepraat over de bouw van een aluminiumfabriek in het zeer dunbevolkte, economisch achtergebleven oosten van IJsland. Behalve toerisme in de korte zomer is visserij in de eenzame dorpjes aan de fjorden de enige bedrijfstak van belang, maar die biedt steeds minder banen door schaalvergroting. De bevolking vergrijst, want de jeugd trekt naar Reykjavik, waar al meer dan eenderde van alle IJslanders woont.

De aluminiumsmelter van Alcoa, die vanaf 2007 jaarlijks 295.000 ton primair aluminium (een halffabrikaat) zal produceren, biedt aan 455 mensen werk. In afgeleide bedrijvigheid, bijvoorbeeld in de dienstensector en in een nieuw aan te leggen haven, zullen volgens de plannen nog eens enkele honderden mensen werk vinden. Volgens Alcoa zullen 1.900 mensen betrokken zijn bij de bouw van de fabriek, die in 2005 begint en bijna twee jaar in beslag zal nemen. Na de ondertekening van het contract met Alcoa vierden de enkele honderden inwoners van Reydarfjordur en andere dorpen in de buurt feest. De president van Alcoa plantte een boom en beloofde er vele meer, een luxe in een kale wereld.

Diversificatie van de economie is een belangrijke doelstelling van IJsland. De welvaart van het ruim 290.000 inwoners tellende land is nog steeds te veel afhankelijk van de vangst en export van vis, die goed is voor 70 procent van alle exportinkomsten. Elektriciteit is er potentieel in overvloed. Die kan onder meer met waterkrachtcentrales schoon en duurzaam worden geproduceerd. En vooral goedkoop, wat aantrekkelijk is voor grootverbruikers als aluminiumfabrieken. IJsland heeft er al twee, van het Canadese Alcan bij Hafnarfjordur (jaarproductie 173.000 ton) en van Norderal, een Amerikaans bedrijf, enkele tientallen kilometers ten noorden van Reykjavik (productie 90.000 ton).

Plannen om elektriciteit naar Europa te exporteren via kabels over de zeebodem bleken in vele studies economisch onhaalbaar. IJsland zette daarna in op uitbreiding van de betrekkelijk schone, maar energievretende productie van primair aluminium. De fabriek van Alcoa kan zorgen voor een grote economische impuls. Een IJslandse bank waarschuwde al tegen oververhitting van de economie in 2005 en 2006 als de bouwactiviteiten een hoogtepunt bereiken. Maar critici vragen zich af of Landsvirkjun de investering van de vele honderden miljoenen euro ooit kan terugverdienen met de levering van elektriciteit aan Alcoa, omdat de prijs te laag zou zijn. Hoe laag precies is een zorgvuldig bewaard geheim.

Landsvirkjun koos voor Impregilo, dat nooit eerder in IJsland actief was, omdat de Italiaanse tunnelbouwer de dammen en tunnels veel goedkoper zou kunnen bouwen dan Deense, Engelse en Duitse concurrenten. Inmiddels weten de IJslanders waarom: Impregilo heeft veel lagere loonkosten. Hoewel Impregilo een contract ondertekende dat alle IJslandse regels zouden worden nageleefd, bleek al snel dat Impregilo bouwvakkers uit onder andere Roemenië en Portugal had gecontracteerd voor veel lagere lonen dan de IJslanders verdienen.

Een Portugese monteur vertelde in Morgunbladid, IJslands belangrijkste krant, dat hij zes dagen per week tien uur per dag werkt voor netto 2.000 euro per maand, zeker eenderde minder dan IJslanders die hetzelfde werk doen. De werknemers van Impregilo zijn in dienst van een andere Italiaanse onderneming die Impregilo van werknemers voorziet.

,,Een schandaal, een uitwas van globalisering'', vonden linkse IJslandse politici en vakbonden. De directeur van Landsvirkjun herhaalde verontschuldigend dat Impregilo, zoals afgesproken, de IJslandse wetgeving moest naleven. De Italiaanse managementstijl – veel improvisatie, tijdelijke oplossingen – leidde tot kleine cultuurschokken. Autoriteiten en vakbonden lieten hun tanden zien. Een Russische dokter voor de Impregilo-werknemers werd naar huis gestuurd toen bleek dat hij niet bevoegd was. Hij werd vervangen door een hulppost van de nationale gezondheidsdienst. De Roemenen en Portugezen wonen, met twee man per kleine kamer, in een houten dorp in de barre eenzaamheid van Karahnjukar. Volgend jaar komt er een school voor kinderen van Italiaanse werknemers en komen er meer sport- en recreatievoorzieningen. Maar de Portugese monteur die in Morgunbladid aan het woord kwam, had geen illusies: ,,Je komt hier alleen om te werken, nergens anders voor''.