Consequent anders

Gisteren overleed de Nieuw-Zeelandse schrijfster en dichteres Janet Frame. Haar sterven kwam niet als een verrassing. Begin december liet ze in een interview weten dat ze leed aan leukemie en beenmergkanker en dat haar tijd beperkt was. Ze vond die beperkte toekomst ,,erg interessant'', zei ze.

Frame was afgelopen jaar een serieuze kandidaat voor de Nobelprijs voor literatuur – had ze hem maar gekregen. Ze was een groot schrijfster, een heel groot schrijfster.

Pas in 1990 werd haar werk bekend bij een breed publiek. Dat ging haar eindelijk lezen na het zien van An Angel At My Table, de verfilming van haar autobiografie door haar landgenote Jane Campion. Frames verhalen, haar elf romans, haar autobiografie waren toen allang gepubliceerd en haar poëzie was verzameld (The Pocket Mirror, 1969).

Janet Frame debuteerde in 1951 met de verhalenbundel The Lagoon and Other Stories. Dat die bundel bekroond werd met de Hubert Church Award, een nationale literaire prijs, besefte ze niet. Gediagnosticeerd als ongeneeslijk schizofreen verbleef ze al jaren in inrichtingen. Na zo'n tweehonderd electroshocks was ze inmiddels rijp verklaard voor een lobotomie, een hersenoperatie die patiënten `verlost' van initiatief en eigen wil. Dankzij de prijs werd die ingreep afgezegd. Frames `waanzin', die een verkeerd beoordeelde zenuwinstorting bleek te zijn, was nu gelegitimeerd met een gerespecteerde bekroning. ,,Mijn vriendin Nola die helaas geen prijs had gewonnen, wier naam niet in de krant verscheen, kreeg haar lobotomie'', noteerde Frame in haar autobiografie (drie delen: To the Is-Land, An Angel At My Table en The Envoy From Mirror City, 1982).

In haar romans Owls do cry (1957) en Faces in the Water (1961) beschrijft Frame het leven in wat in het gesticht `the dirty day-room' heet, de afdeling waar de ongeneeslijk geachte gekken verblijven. De boeken zijn meeslepend, ijselijk en spiritueel, vol anekdotes over onzinnige routines en liefderijke portretten van patiënten en hun methoden om angsten en wanen in banen te leiden.

Ook daarna, van de roman The Edge of the Alphabet (1962) tot en met The Carpathians (1988), bleef Janet Frame in woorden vatten hoe het is om je consequent anders te voelen dan iedereen om je heen, en ze bediende zich daartoe van doodnormale, niet klagerige termen, onderwijl toverend met alledaagse woorden.

Beheerst proza met poëzie combinerend, overspoelt ze haar lezers met intrigerende beelden en ze amuseert ze met verwijzingen naar alles wat haar literaire gevoel trof, van Shakespeare en Shelley tot en met Cole Porter en Fats Waller. Haar inspiratie ontleent ze verder aan de liedjes en zegswijzen uit de mond van haar moeder en aan de Grote Poëzie die ze leerde kennen dankzij haar met goede cijfers gewonnen bibliotheek-abonnement.

Doortrokken van wrede burgermansformules observeren haar zinnen de gelatenheid die geboden is voor wie een kleurloos bestaan wil overleven – het bestaan van ,,mensen met uitpuilende jurken aan, mensen die recht en averecht breien terwijl het bolletje wol veilig en schoon uit een keurige bruine tas hing met stokrozen en klaprozen erop''. (vertaling May van Sligter).