Italië kan eigenlijk niet zonder baronnen

Het opmerkelijke aan de zaak-Parmalat is de relatieve grofheid van de fraude alsmede de duur ervan. Door deze combinatie krijgt het verzuim van de bevoegde autoriteiten om in te grijpen een schijn van medeplichtigheid, meent Tim Parks.

`Het is moeilijk voor een rijke om in Florence te wonen'', schreef dichter-bankier Lorenzo de Medici in 1473, ,,als hij geen macht over de staat heeft.'' De vijanden van de zakenman, zo laat hij doorschemeren, stonden altijd klaar om hem met belastingen en regelingen van overheidswege te ruïneren. In de drieëntwintig jaar dat hij de Medici-bank leidde, gebruikte Lorenzo elk mogelijk middel om de greep van zijn familie op de overheid te bestendigen, zodat een officieel democratische stadstaat vrijwel in een dictatuur veranderde.

Maar was het voor een rijke echt nodig om macht over de staat te hebben? Andere grote firma's hadden enorme rijkdom vergaard zonder naar een prominente politieke rol te streven. Toen Lorenzo deze woorden schreef, was de familiebank al in verval en als hij van tijd tot tijd niet rechtstreeks uit de gemeenschapskas was geholpen, zou hij zeker failliet zijn gegaan.

In tal van commentaren is geopperd dat de entree van Berlusconi in de politieke arena werd ingegeven door de noodzaak een bedreigd imperium te redden. Zeker is dat hij zich alleen met behulp van politieke macht de rechter van het lijf heeft weten te houden. En het lijdt weinig twijfel, zoals een van de betrokken belastinginspecteurs mij vertelde, dat het heel wat politieke spelletjes heeft gevergd om de afgelopen tien jaar het bankroete Parmalat overeind te houden.

De speurtocht naar min of meer nauwkeurige analogieën die volgde op de val van het rijk van Parmalats topman Calisto Tanzi, is onderdeel van de natuurlijke neiging om patronen op te sporen en daarmee de toestand te beheersen: als ik een bepaalde situatie kan herkennen, weet ik dat ik mijn geld elders moet beleggen. Maar het opmerkelijke aan de zaak-Parmalat – vergeleken bij andere fiasco's van de laatste tijd in de VS en Frankrijk – is de relatieve grofheid van de fraude, plus de zeer lange tijd dat deze heeft geduurd. Door deze combinatie krijgt het verzuim van de bevoegde autoriteiten om in te grijpen onvermijdelijk een schijn van medeplichtigheid. En als de zogeheten fiamme gialle (de Italiaanse FIOD) maar een paar van haar honderden invallen bij Berlusconi's Fininvest bij Parmalat had gedaan, dan zou het schandaal al lang geleden zijn uitgebroken. In plaats van parallellen te trekken met Enron en Ahold, is het misschien beter een verklaring te zoeken in een bepaald Italiaans gedragspatroon.

Je hoeft maar tien mensen van een willekeurig volk te ontmoeten om het idee van één volksaard te laten varen. Maar dat sluit nog niet de mogelijkheid uit van een nationale dynamiek, een dramatis personae van stereotypen die zo op elkaar reageren dat ze elkaars beeld van zichzelf en de wereld voeden en in stand houden, zoals de lord en zijn butler in een Engelse klucht. In Italië is de grote barone, de rijke, machtige beschermheer die wordt vereenzelvigd met de trots en lotgevallen van een bepaalde stad, zonder meer zo'n stereotype. Van belang is hierbij ongetwijfeld het stadstaat-verleden van het land. Net zozeer als Gianni Agnelli Il Signore van Turijn was, was Tanzi dat jarenlang van Parma. De Italianen zijn verzot op dergelijke officieuze koningen. De eindeloze hagiografieën na de dood van Gianni Agnelli, de volledige afwezigheid van enig objectief oordeel over zijn echte zakelijke kunnen – in tegenstelling tot het vermogen van zijn bedrijf om overheidssubsidies aan te trekken – geven een indruk hoe sterk zulke figuren tot de Italiaanse verbeelding spreken. Maar als het patronaat en het gezag van deze signori niet berusten op erfelijke heerschappij of een democratische verkiezing, maar op het wel en wee van een gewone commerciële onderneming die concurreert op de markt, dan ontstaan allerlei fricties en tegendraadse sociale mechanismen.

Er zijn niet veel parallellen die we zouden willen trekken tussen Lorenzo de Medici en Silvio Berlusconi. Toch delen ze de positie van de man wiens zakelijke aangelegenheden hem een maatschappelijk aanzien hebben verschaft dat buiten Italië amper voorstelbaar is en waaruit helaas geen eenvoudige weg terug is. Als de machtsbasis van de Italiaanse barone wordt bedreigd, zal hij zich niet gauw gedragen als zijn Engelse of Amerikaanse zakelijke tegenhanger. Mislukking is ondenkbaar. Doordat hij nauwelijks als gewone sterveling wordt gezien, zal hij jarenlang worden gesteund door de zelfzuchtige, maar uiteindelijk zelfvernietigende, medeplichtigheid van iedereen om hem heen. Het gevoel zal bestaan dat de trots van een hele gemeenschap, een stad, van zijn overleving afhangt.

Een van de hoofdoorzaken van het verval van de Medici-bank was de groeiende hang van de familie naar buitensporigheid. Op een bepaald moment werden de handhaving en zichtbaarheid van de status die ze hadden verworven belangrijker dan een zorgvuldige boekhouding. Dit gedragspatroon werd geïmiteerd door degenen die de vestigingen moesten leiden die de bank had in Brugge en Londen, Milaan en Rome. Zij drongen erop aan dat het onderkomen van de bank spectaculair genoeg zou zijn om algemeen ontzag in te boezemen. Ze hadden meer belangstelling om zaken te doen met koningen en prinsen dan met simpele kooplieden. Maar als een koning een lening niet terugbetaalt, is er niet zoveel waarmee je hem de duimschroeven kunt aandraaien.

Een van de manieren waarop de hedendaagse Italiaanse barone zijn vermogen tot buitensporigheid (en dus tot begunstiging) kan tonen en tegelijkertijd zijn identificatie met zijn geboortestad kan bezegelen, is door het bezit van een voetbalploeg in de hoogste Italiaanse divisie. Sinds Calisto Tanzi FC Parma kocht is deze ploeg verreweg de meest succesvolle uit de kleine steden in de Serie A geweest, en een bron van onmetelijke trots voor de stad. En aangezien de waarde van een sterspeler voornamelijk theoretisch is, bieden voetbalclubs eindeloze mogelijkheden tot creatief boekhouden. Tanzi ruilde veelvuldig spelers met de grote Romeinse club Lazio, eigendom van de familie Cragnotti, wier voedselverwerkingsimperium Cirio onlangs ineen is gestort, terwijl beschuldigingen van corruptie niet van de lucht waren. Afgezien van hun voelbalbanden hadden Parmalat en Cirio dezelfde bankiers en accountants. Vittorio Cecchi Gori, eigenaar van een aanzienlijk film- en tv-imperium, gebruikte jarenlang de voetbalclub Fiorentina om zich te identificeren met de stad Florence, totdat ook hij in 2001 smadelijk failliet ging.

In 1998 vertrok sportdirecteur Gianbattista Pastorello bij FC Parma en kocht hij Hellas Verona, ook een ploeg in de Serie A – naar verluidt met behulp van een lening van Tanzi. Parma en Verona ruilden vervolgens een aantal spelers. In mei 2001 had de ploeg van Verona in de uitwedstrijd tegen Parma wanhopig behoefte aan een overwinning om te ontkomen aan degradatie naar de minder lucratieve Serie B. Van de zestien uitwedstrijden dat seizoen had Verona er veertien verloren en twee gelijk gespeeld. Aangezien ik al jaren een seizoenkaart van Verona heb, zat ik in de bus met supporters naar die cruciale wedstrijd. Ze waren verbazend zelfverzekerd. ,,Twee-één voor ons'', zeiden ze. ,,Dat is zo afgesproken.'' Tanzi zou volgens hen nooit toestaan dat zijn ploeg hem geld kostte. En het wérd 2-1, doordat Verona in de slotminuten scoorde, terwijl de uitstekende verdediging van Parma werkeloos toekeek. Op internet merkte een chattende supporter op:

Gruppo Parmalat - Parmalat Spa: 1 - 2

Santal Spa - Mister Day Spa: 3 - 4

Parma Calcio Spa - Hellas Verona Spa: 5 - 6

(Spa is de Italiaanse afkorting voor NV).

Uiteraard zijn Santal en Mister Day allebei Parmalat-producten.

Italië zal figuren blijven voortbrengen als Tanzi, Cecchi Gori en Cragnotti, Agnelli, Benetton en Berlusconi. De collectieve psyche hunkert naar hen. En als familie, bedrijf en stad dusdanig worden vereenzelvigd, dan zijn de megalomanie en een collectieve waan van onkwetsbaarheid moeilijk te weerstaan. Beleggers moeten oppassen. Niet dat zo'n figuur per se corrupt is of in financiële moeilijkheden verkeert, helemaal niet; maar als dat wél zo is, zal de belegger dat pas te weten komen als het veel te laat is. Wijzigingen van de nu al strikte regels zullen zinloos zijn, gelet op deze machtige psychosociale dynamiek.

Tim Parks is schrijver en woont in Italië. Dit artikel verscheen eerder in de Wall Street Journal.