Eindeloos investeren in China

China is voor ondernemers het beloofde land. Een onweerstaanbare markt met 1,3 miljard consumenten. Maar wordt er eigenlijk wel geld verdiend? Of investeren buitenlandse bedrijven in China tegen beter weten in? ,,De verliezen zijn onder controle.''

China lonkt. Geen land dat zoveel buitenlandse investeringen aantrekt, sinds 2002 meer dan de Verenigde Staten. Geen land ook waar zoveel topmanagers van multinationals hun opwachting maken, onlangs nog de voltallige raad van bestuur van Philips. Heineken maakte vandaag bekend in China verder te expanderen door een belang in een Chinese bierbrouwer te nemen. De onafzienbare markt die China in de verbeelding van veel buitenlandse investeerders is, heeft een magische, onweerstaanbare aantrekkingskracht. Maar wordt er ook verdiend?

Unilever is sinds 1986 in China. Het meldde in 1998 nog aldoor tegenvallende resultaten, was twee jaar later ,,optimistischer dan ooit'', maar komt in 2004 – na dan al 800 miljoen euro in de Chinese consumentenmarkt geïnvesteerd te hebben – niet verder dan: ,,Wij draaien break-even''. Heinekens joint venture, sinds 1988 in China, juicht in 1994 dat China hard op weg is Duitsland als tweede biermarkt ter wereld te verdringen en meldt in zijn jongste jaarverslag oplopende verliezen. Maar de brouwer zegt dat de verliezen in China, dat inmiddels ,,in volume'' de Verenigde Staten is gepasseerd als de grootste biermarkt ter wereld, ,,onder controle zijn''.

Pepsi Cola was in de zomer van 2002 nog duidelijker. De Amerikaanse frisdrankfabrikant klaagde dat het in de afgelopen twintig jaar 500 miljoen dollar in China had geïnvesteerd, maar nog geen cent (,,no dime'') verdiend. Afgelopen jaar vroeg de Amerikaanse zakenbank Merrill Lynch zich openlijk af of wel iemand winst maakte op al die buitenlandse investeringen voor de Chinese binnenlandse markt. De zakenbank zei op ,,anekdotische bewijzen'' te moeten afgaan.

Dat lijkt nog steeds het geval. Neem andere Nederlandse multinationals. Maken zij er winst? Het chemie- en farmacieconcern Akzo Nobel, dat zegt op de Chinese binnenlandse markt een kleine 400 miljoen euro omzet te behalen: ,,Daarover kunnen wij niks zeggen''. En het chemieconcern DSM, met bijna 500 miljoen dollar aan investeringen voor de binnenlandse markt: ,,Wij zijn winstgevend, meer kunnen we niet zeggen''. Het elektronicaconcern Philips, dat al 2,5 miljard euro in China heeft geïnvesteerd en van zijn totale Chinese omzet 40 procent op de binnenlandse markt behaalt (de rest is export): ,,Wij maken niet bekend of we er winst of verlies maken''. Het SHV-onderdeel Makro, dat met zijn supermarkten tot nu toe 30 miljoen euro in China heeft geïnvesteerd, is openhartiger: ,,Wij maken er een kleine winst''.

De totale buitenlandse investeringen in China waren in 2003 al tot 500 miljard dollar opgelopen, het duizendvoudige van het bedrag dat Pepsi aan China had gespendeerd. En die investeringen zijn behalve voor de export, voor een groeiend deel voor de binnenlandse markt bestemd, waar volgens menig investeerder fantastische resultaten lonken. Is China een kwestie van lange adem misschien? ,,De vooruitzichten voor de lange termijn blijven positief'', zegt Heineken, dat zijn exportbier van het Heineken-merk voor de Chinese markt nu in China zelf gaat brouwen.

,,Krankzinnigheid heet [in China] langetermijnbeleid'', schreef de Asian Wall Street Journal in een bijtend commentaar op Pepsi's kater. Merrill Lynch waagde het om een vraagteken bij al die buitenlandse investeringen te zetten: ,,Hoewel China uitbundig groeit, hebben wij enige twijfel over de mate waarin dit in de winsten wordt gereflecteerd''. [Vervolg China:pagina ]

Winst op afzetmarkt China nog illusie

China

[Vervolg van pagina ] Het belang van China voor de omzet, daarover zijn buitenlandse ondernemingen met hun informatie scheutig, constateerde de Amerikaanse zakenbank Merrill Lynch zomer vorig jaar. Tenslotte wonen in China 1,3 miljard potentiële consumenten – aantallen die ondernemers al sinds mensenheugenis over onafzienbare markten doen dromen. Volkswagen meldde onlangs met fanfare dat het in China al meer auto's verkoopt dan op hele Duitse thuismarkt. Maar over winsten en marges van al die buitenlandse ondernemingen in China is ,,erg weinig bekend'', stelde Merrill Lynch droogjes vast.

Die scepsis weerhoudt bijvoorbeeld de buitenlandse autofabrikanten er niet van om reusachtige investeringsplannen van vele miljarden voor de binnenlandse Chinese markt aan te kondigen. De Amerikaanse kredietbeoordelaar Standard & Poor's voorspelde twee weken geleden dat er maar weinig buitenlandse autofabrikanten zijn die de winsten zullen maken waarop zij hopen.

Fraaie winsten maken buitenlandse ondernemingen wel op hun export vanuit China, al zijn zij over die resultaten ingetogen. In de exportsector heerst, anders dan op de lokale markt, de discipline van de mondiale markt. Op elke dollar aan Chinese export naar de VS wordt aan de Amerikaanse consument vier tot vijf keer zoveel in rekening gebracht, zei onlangs Andie Xie, econoom bij de Hongkongse vestiging van de Amerikaanse zakenbank Morgan Stanley. De binnenlandse Chinese markt vertelt een ander, somber verhaal.

Legio zijn de klachten, schrijft Joe Studwell in een kritisch en veelgeprezen boek over de buitenlandse investeerders in China: diefstal van intellectueel eigendom, vervalsingen, wetteloosheid, discriminatie bij vergunningen, voortrekkerij van inheemse concurrenten, vrijwel oeverloze, spotgoedkope staatsbankkredieten voor staatsbedrijven. Op de binnenlandse Chinese markt zijn investeerders voor hun joint ventures aangewezen op Chinese staatspartners. Door de fenomenale opkomst van privébedrijven (al 45 procent van het Chinese bruto binnenlands product), die op hun beurt door de staatsbanken en de bureaucraten worden gediscrimineerd, is het in China een dringen van jewelste. Reusachtige overcapaciteit en vlijmscherpe prijsconcurrentie zijn in de industrie staande praktijk. Prijsbederf is volgens Studwell de norm.

Is het in de dienstensector in China misschien anders? Nederlandse verzekeraars als Aegon en ING zitten er nog niet zo lang. Over hun kansen zijn ze niet minder geestdriftig. ,,Erg opwindend'', zei ING in 2002 bij de oprichting van zijn tweede joint venture. Al winstgevend? ING: ,,In 2008''. De eerste joint venture, in 1998 opgericht, zou ,,dit jaar winstgevend'' worden. Na zes jaar bij beide joint ventures eindelijk winst.

De resultaten van het Amerikaanse AIG, de grootste verzekeraar ter wereld en ooit in het vooroorlogse Sjanghai opgericht, zouden de Nederlandse verzekeraars misschien tot bescheidenheid moeten nopen. AIG is sinds 1992, al twaalf jaar, in communistisch China actief en nog aldoor geen succesverhaal. Het maakt er naar eigen zeggen maar een ,,kleine winst''.

Investeren buitenlandse, Nederlandse bedrijven ondanks hun klachten tegen beter weten in? En brengen ze de torenhoge kosten, zoals de auteur Studwell beschrijft in zijn boek, vaak voor een deel direct ten laste van het hoofdkantoor om de lokale winsten mooier voor te stellen? Ze kunnen mooie resultaten boeken als ze kiezen voor de exportmarkt, de `werkplaats van de wereld'. Maar op de binnenlandse markt, de `afzetmarkt van de wereld', kan volgens Studwell bijna geen buitenlands bedrijf mooie winsten melden.

Wanneer ze de meedogenloze concurrentie niet kunnen bijbenen, wijken ze uit naar de `dure segmenten' van de markt. Philips zegt zich daar stevig genesteld te hebben. Totdat de buitenlandse bedrijven volgens waarnemers ook daar worden verdrongen en de Chinese concurrentie ze het nakijken geeft, onder het motto: China voor de Chinezen.

Studwell vertelt een fraaie anekdote: zei niet al in 1793 keizer Qian Long tegen een zevenhonderd man sterke Engelse delegatie van kooplieden en ambtenaren, die alles wat daarna aan regeringsleiders, ministers en zakenlieden op bezoek kwam in omvang nog overtrof: `China heeft niet de minste behoefte aan producten uit uw land'?

Joe Studwell, The China Dream, The Elusive Quest for the Greatest Untapped Market on Earth, Profile Books