`Draagkracht Waddenzee is er bijgesleept'

Onderzoekers van de Waddenzee ruziën over de invloed van schelpdiervisserij op de natuur. Was de recente evaluatie wel onafhankelijk? `Wetenschappers hebben niet goed opgelet.'

`Minder wadvogels door dalende draagkracht waddengebied en schelpdiervisserij'. Zo luidde de kop boven het persbericht van Wageningen Universiteit bij de presentatie, vorige maand, van de langverwachte evaluatie van het schelpdiervisserijbeleid in de Waddenzee en de Oosterschelde.

Een opmerkelijke conclusie, vonden politici en journalisten. Niet alleen de visserij beïnvloedt kennelijk het ecosysteem in de Waddenzee, maar ook de draagkracht, door de onderzoekers omschreven als de ,,maximale hoeveelheid schelpdieren'' die kan voorkomen in het belangrijkste natuurgebied van Nederland, los van visserij of predatie door wadvogels. Die draagkracht was de afgelopen decennia gedaald, zo bleek. Dat komt doordat er minder meststoffen, fosfaten en nitraten, op het water worden geloosd en daardoor worden er minder algen geproduceerd. Hoe minder algen, des te minder schelpdieren. En hoe minder schelpdieren, des te minder wadvogels.

De kokkelvissers interpreteerden de conclusie als het bewijs dat niet zij de oorzaak waren van de teruggang in het aantal wadvogels, maar het schoner geworden water. En voor minister Veerman (LNV) was het een van de redenen om te concluderen dat de visserij niet moet worden verboden. ,,Afgaande op de onderzoeksresultaten en alles overwegende is mijn conclusie dan ook, dat dit rapport niet zonder meer aantoont dat de kokkelvisserij moet verdwijnen om de natuur te redden'', aldus Veerman. Het onderzoek was uitgevoerd door twee instituten van Wageningen UR: Alterra en het Nederlandse Instituut voor Visserij Onderzoek (RIVO), plus het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ).

Na publicatie barstte er kritiek los. Medewerkers van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) – dat niet bij de evaluatie betrokken was, ondanks uitdrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer – betwistten de theorie van de draagkracht. Zij kregen bijval van wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam. De hoeveelheid fytoplankton, algen die door schelpdieren worden gegeten, is helemaal niet afgenomen. Het is ook zeer de vraag of de hoeveelheid fosfaat bepalend is voor de productie van algen. André de Roos, hoogleraar ecologische ecologie: ,,De Waddenzee is een uniek gebied met veel turbulentie. Misschien is de hoeveelheid licht veel bepalender. De lichtdoorlating in het troebele water van de Waddenzee is zo gering, dat die een limiterende factor voor fytoplankton kan zijn.''

Morgen is er in Groningen een wetenschappelijk congres over de evaluatie. Onderzoekers van het NIOZ suggereren dat de draagkrachttheorie nadruk heeft gekregen om niet vast te hoeven stellen dat de visserij moet worden verboden. NIOZ-onderzoeker Theunis Piersma, hoogleraar dierecologie aan de Rijksuniversiteit Groningen: ,,Het verhaal over de draagkracht is er met de haren bij gesleept. Er is veel op aan te merken en het is niet relevant voor het begrijpen van de vogelsterfte.'' Veel belangrijker is volgens hem de schadelijke invloed van vissersboten die de zeebodem omwoelen, een activiteit waarvan het bodemleven zich pas na twintig tot dertig jaar herstelt. Drie Groningse ecologen schreven in het vakblad Bionieuws: ,,Indien de draagkracht van de Waddenzee inderdaad afneemt (-) dan zou dit maar één ding moeten betekenen, en dat is dat er nóg minder ruimte is voor de kokkelvisserij.''

De onderzoekers van de evaluatie, onder leiding van Alterra-onderzoeker Bruno Ens, zijn verrast door de grote aandacht die de draagkrachttheorie heeft gekregen. Ens spreekt van ,,een eenzijdige perceptie'' van het onderzoek dat ruim twintig deelrapporten omvat. Maar waarom was het dan de kop van het eigen persbericht? Ens: ,,Bij het opstellen van het persbericht hebben we gedacht: laten we niet het hele verhaal in algemene termen samenvatten, maar er enkele dingen uitpikken. Een van de nieuwe inzichten was de draagkracht.''

De draagkracht van de Waddenzee is ,,het kader waarbinnen de processen zich afspelen'', aldus Ens. Niet meer en niet minder. ,,Hoeveel schelpdieren er jaarlijks daadwerkelijk beschikbaar zijn voor de vogels, wordt ook bepaald door andere factoren, zoals de omvang van de broedval van schelpdieren, sterfte onder schelpdieren door ijswinters en schelpdiervisserij. Dat staat ook in het rapport.'' De belangrijkste oorzaak voor het gedaalde aantal scholeksters is het verdwijnen van de mosselbanken, stellen Ens en zijn collega-onderzoekers in een aanvullend persbericht: ,,Begin jaren negentig zorgde de voortgaande mosselzaadvisserij in combinatie met uitblijvende zaadval en mogelijk ook stormschade voor de vrijwel totale verdwijning van de droogvallende mosselbanken. Deze banken zijn belangrijke foerageergebieden voor scholeksters.'' De sterfte onder eidereenden hangt samen met voedseltekort. Een verband met kokkelvisserij is moeilijker te leggen. Ens: ,,Eidereenden profiteren van mosselen op kweekpercelen van vissers. Maar wat er in arme jaren gebeurt, weten we niet.''

Onderzoekers van het NIOZ en Theunis Piersma vinden dat de wetenschappers zich hebben laten ,,gebruiken'' door het ministerie van LNV dat de regie over de voortgang van het onderzoek had. Piersma: ,,Het verhaal over de draagkracht komt het ministerie in de kraam te pas. De wetenschappers hebben niet goed opgelet. Ze hebben jarenlang over hun schouder laten meekijken. Ze hebben bestaande en gepubliceerde onderzoeksgegevens niet gebruikt. Voorstellen vor onderzoek van het NIOZ zijn niet gehonoreerd. Op deze subtiele wijze heeft het ministerie de onderzoeksresultaten beïnvloed.''

Onderzoeksleider Ens verwerpt de verwijten over beïnvloeding. In de ,,stuurgroep'' voorgezeten door LNV-topambtenaar Ton IJlstra hadden zowel natuurorganisaties als vissers zitting.

De samenvatting van het eindrapport, de ,,publieksversie'', is geschreven met hulp van een externe ,,tekstschrijver''. Ens: ,,Die zei ons dat we dingen anders moesten opschrijven om het begrijpelijk te houden.'' Maar de wetenschappers waren eindverantwoordelijk. ,,We stonden achter de tekst en staan dat nog steeds.''

Algemeen projectleider Ton IJlstra van LNV benadrukt dat het ministerie zich niet met de inhoud van onderzoek heeft bemoeid. Wel is het jarenlange onderzoek ,,uitvoerig begeleid''. Bij het maken van het eindrapport heeft het ministerie zich zelfs helemaal teruggetrokken. ,,We hebben de directeuren van de drie betrokken onderzoeksinstellingen bijeen geroepen en gevraagd: zorgen jullie dat het eindrapport er komt. Zo is het gebeurd.''

Maar waarom werd het NIOZ niet bij het onderzoek betrokken, het instituut dat toch jarenlang onderzoek aan de Waddenzee heeft gedaan? IJlstra: ,,Men heeft voorstellen gedaan om meerjarig onderzoek te doen. Dat was erg duur. Ik heb toen andere prioriteiten gesteld.''

Theunis Piersma: ,,Deze evaluatie had helemaal niet plaats hoeven vinden. Ik ben natuurlijk een voorstander van onderzoek, maar onderzoek om beleid op te baseren is niet nodig. Er zijn wetten die de Waddenzee beschermen als natuurgebied. Aan die wetten moet het ministerie zich houden.''